zaterdag 26 september 2020

COVID



Vrijdag 18 september was het zover. 

Het COVID-virus was binnengedrongen in één van onze lokaties. Twee bewoners bleken te zijn besmet. We besloten al snel om alle medewerkers en bewoners te testen. Nog diezelfde avond stonden een aantal van onze verpleegkundigen en enkele artsen, samen met verschillende administratieve ondersteuners een lange, lange rij medewerkers met het beruchte wattenstaafje slijm diep uit de keel en uit de neus af te nemen. 

Het moest buiten gebeuren. 

Het was koud en het was regenachtig. 

Diep in de nacht gingen de mensen van het crisisteam naar huis om de volgende ochtend opnieuw een lange rij medewerkers testen.

Tegelijkertijd waren artsen en verpleegkundigen op de vier afdelingen bezig om alle bewoners een test af te nemen. 

Dit zijn allen mensen die lijden aan één of andere vorm van dementie. Zij begrijpen niet wat er aan de hand is en de mensen in plastic pakken, mondmaskers voor, spatbrillen op en handschoenen aan, helpen niet erg mee om enig begrip te laten ontstaan. Integendeel: meerdere bewoners worden angstig, beginnen te huilen of reageren boos op wat hen wordt aangedaan. 

De verpleegkundigen noemden het een traumatische ervaring. In de eerste plaats voor de bewoners, maar zeker ook voor hen.

Omdat de verpleegafdelingen zich in een verouderd gebouw bevinden, waarin logistieke stromen onmogelijk van elkaar kunnen worden gescheiden, besluiten we de locatie voorlopig te sluiten voor bezoek.

De medewerkers lopen minimaal met een mondkapje voor over de afdeling. De bewoners die positief zijn getest, liggen op hun eigen kamer in quarantaine en worden benaderd door medewerkers, ook nu weer gehuld in plastic pakken, spatbrillen, mondmaskers en handschoenen. 

Beschermende kleding die iedere keer weer moet worden uitgetrokken en weggegooid als de zorghandeling in het appartement achter de rug is. Een zware belasting voor de medewerkers.

Door het testen bleek al snel dat er 4 bewoners waren besmet (waarvan 3 op dezelfde afdeling) en ook meerdere collega's, waarvan in ieder geval één die geen klachten had gehad.

En ondertussen raast het in de media maar door.

De zin en onzin van alle maatregelen. De zorgen over de laksheid van velen. Ik zie tot mijn verbijstering een plein vol voetbalsupporters in Tilburg op elkaar gepakt staan brullen. Nota bene in Tilburg. Nota bene vertellen enkelen dat hun opa, hun oma, hun buurman, is overleden aan het virus.

En ondertussen zie ik de aantallen besmettingen groeien en hoor ik de waarschuwingen over de toename van het aantal ziekenhuisopnames en IC-plaatsingen.

Onze geestelijk verzorger vertelt me over medewerkers van de besmette locatie die geëmotioneerd hun verhaal doen.

Leden van ons crisisteam, die al 1 1/2 week van de (zeer) vroege ochtend tot diep in de avond werken om de zorg overeind te houden en grip te krijgen op de uitbraak. 

Mensen van de GGD en het streeklaboratorium die overspoeld worden door alle nieuwe gevallen, maar desondanks blijven meedenken en helpen.

En ondertussen lees ik de aanzwellende kritiek op de GGD, terwijl het enige echte antwoord zou moeten zijn dat we ons aan de basale afspraken houden. Het is, volgens mij, beter om op die manier te helpen dan om aan de zijlijn maar wat meningen te ventileren.

Onze medewerkers vechten een strijd tegen een virus waarvan we weten dat de strijd ongelijk is. Desondanks staan ze er voor onze hoogbejaarde bewoners. Met man (nou ja, het zijn veel meer vrouwen) en macht wordt er gewerkt en aangepakt. Zoals mensen in de zorg zijn: praktisch en aanpakken.

Morgen is het zondag. 

Is het veel gevraagd om even onze meningen voor ons te houden en voor hen, de medewerkers en de bewoners te bidden?

dinsdag 11 augustus 2020

Het fenomeen verpleeghuis

 

Onder de kop "verpleeghuis is geen tweederangs ziekenhuis", werd in Zorgvisie Anne Mei Thé uitgebreid aan het woord gelaten. Tijdens de coronacrisis is deze markante en, door haar opvattingen over de omgang met mensen met dementie, belangrijke onderzoekster aan het werk geweest in een verpleeghuis. 

Hiermee volgde ze weer een door haar beproefd spoor als cultureel antropoloog. Immers, haar eerste publicatie over verpleeghuizen ("In de wachtkamer van de dood") was op een vergelijkbare methode gebaseerd: meelopen, meewerken, kijken, toetsen en reflecteren vanuit de dagelijkse praktijk. Het leverde een confronterend en angstaanjagend boekwerk op. De bewoners van de Amsterdamse verpleeghuizen, van waaruit zij haar onderzoek verrichtte, bleken betreurenswaardige, onmondige mensen te zijn die in vaak mensonwaardige toestanden niets anders konden doen dan hopen dat er snel een eind aan zou komen. 

Nu zijn we inmiddels ruim 10 jaar verder en er is in die tijd veel gebeurt. Veelal hebben de bewoners een eigen kamer met eigen sanitair en zijn de 4- en 6-persoonskamers verdwenen. Het wonen in kleinschalige groepen zijn gemeengoed geworden en dokters lopen geen dagelijkse visite meer maar in plaats hiervan is er ieder half jaar een bespreking waarin ook de bewoner en naaste familie bij worden uitgenodigd. Juist ook vragen naar welzijn en zingeving maken deel uit van deze bespreking.

Toch ontkwam ik niet aan de indruk dat Mei Thé teleurgesteld was over hetgeen was bereikt. Dit werd vooral ingegeven doordat, onder druk van de coronacrisis, er, naar haar zin, te gemakkelijk werd mee bewogen in de landelijke tendens om vooral veiligheid als belangrijkste thema voor het beleid te doen gelden. Verpleeghuisbewoners werden opgesloten op de afdeling of zelfs in hun eigen appartementen; hun naasten mochten niet in hun nabijheid komen en iedere vorm van lichamelijk contact werd, behalve tijdens het douchen, verboden. Hiermee werd weliswaar zoveel als mogelijk de veiligheid bereikt waardoor de kans op een coronabesmetting werd geminimaliseerd; maar wat hierdoor ook werd geminimaliseerd, was het menselijk contact, waar zeker deze doelgroep, namelijk mensen met dementie, veel behoefte aan heeft. 

Ze had, met name vanuit bestuurders, meer tegengewicht verwacht in de disbalans tussen veiligheid en kwaliteit van leven, die deze periode is ontstaan.

Medewerkers die, buiten alle afspraken om, toch bezoek de afdeling op lieten komen of bewoners 's nachts maar door het pand lieten zwerven, worden door haar de heldenstatus toegekend.

En daar zit ik, als bestuurder, nu op te kauwen.

Het is goed dat mensen als Anne Mei Thé de lat leggen langs hetgeen we presteren in onze verpleeghuizen. Dat ze hiermee de discussie initieert over de vraag of we vanuit de sector niet te gemakkelijk hebben mee bewogen in de behoefte aan veiligheid voor bewoners, lijkt mij zeker zinvol. Ik vermoed, ze geeft dit zelf ook al aan, dat een radicale en algemene sluiting voor bezoek van de verpleeghuizen er voor een volgende keer niet meer inzit. Algemeen zijn we, directies van verpleeghuizen, wel tot de conclusie gekomen dat oplossingen veel lokaler en situationeel zullen moeten zijn. Ik kan dan nu allerlei argumenten aanhalen over waarom en hoe en hoezo, maar ze heeft natuurlijk gelijk. De overwegingen met betrekking tot kwaliteit van leven kwamen pas op een veel later moment en dan ook nog vanuit enkelingen. Dat we de vraag al veel eerder hardop hadden kunnen stellen zonder nu direct de veiligheid van bewoners buitenboord te kieperen, is evident. 

Of daarmee haar teleurstelling over hetgeen in de afgelopen 10 jaar is bereikt, ook terecht is, waag ik dan weer te betwijfelen. De impact van de coronacrisis is dermate groot, dat ze, in mijn optiek, geen goed perspectief kan bieden op de hier gestelde vraag. Alles was immers van het ene op het andere moment anders en we betraden een werkelijkheid die nog niemand van ons ooit had meegemaakt. De reflex om eerst en vooral te kiezen voor veiligheid, zelfs ten koste van kwaliteit en (soms) waardigheid, is veelzeggend en verdient nader onderzoek. Het betekent echter niet dat dit per definitie de basis is waarop verpleeghuiszorg is opgebouwd. Niet voor niets is er de afgelopen jaren stevig geïnvesteerd in programma's als "waardigheid en trots", "ontregeling van zorg", opleidingsprogramma's en ga zo maar door.

Ondanks dat er, naar mijn overtuiging, al veel is bereikt in het "vermenselijken" van de zorg voor onze oudste medelanders, moet ik toegeven dat we op één punt nog niet veel verder zijn gekomen. Immers, reeds in 1961 schreef Erving Goffman zijn nog altijd actuele studie over "totale instituties". Nog steeds zijn verpleeghuizen, hoe kleinschalig ook georganiseerd en opgebouwd, een plaats waar bewoners, meestal zonder dat ze hier zelf voor kiezen, terechtkomen in (weliswaar kleine) groepen van mensen die onderling niet voor elkaar hebben gekozen; worden echtparen vrijwel altijd nog uit elkaar gehaald omdat één van de partners moet worden opgenomen; voelen kinderen die zich bij hun vader of moeder op bezoek komen, zich gasten van het huis waar vader of moeder is opgenomen en komen de bewoners, na hun opname niet zelden ver van de samenleving af te staan. Ook bewoners die tot vlak voor opname bijvoorbeeld nog deel uitmaakten van een kerkkoor, blijken na hun opname steevast hier geen deel meer van uit te maken. 

In enkele studiereizen naar Denemarken heb ik gezien hoe men daar experimenteerde met de mogelijkheden om dit soort settingen gewoon af te breken en mensen die dementeren een plek te laten behouden midden in de samenleving. Dit leverde mooie experimenten op. Maar ik heb óók gezien hoe in wooncomplexen medewerkers, buiten alle afspraken om, de betreffende bewoners die dementeerden, toch weer samen brachten in één deel van het complex, omdat de onrust onder de andere bewoners anders niet meer te hanteren zou zijn geweest. Met het dringende verzoek aan mij om deze waarneming niet in mijn rapport op te nemen omdat de politieke werkelijkheid nu eenmaal dwingend voorschreef dat mensen met dementie gewoon onderdeel moesten kunnen blijven van de samenleving...

Een zorgzame samenleving waar mensen, hoe dan ook, als vanzelfsprekend een plaats hebben en worden geaccepteerd om wie ze zijn, we zijn er nog ver van verwijderd. Nederlandse verpleeghuizen doen veel om voor de bewoners tot een menslievend en zinvol verblijf te komen, maar kunnen nooit de uiteindelijke oplossing zijn om mensen met dementie hun plaats in de samenleving te laten behouden. Daarvoor zullen maatschappelijk nog wel de nodige paradigma's moeten worden geslecht.  Mensen als Anne Mei Thé helpen om de boel in beweging te houden en blijven dan ook prikkelen. 

 En ja, zolang blijven er ook medewerkers (en bestuurders) die, ondanks zware politieke druk, toch besluiten om hun eigen persoonlijke afweging hierin te maken.

woensdag 29 juli 2020

lessen uit corona



vanmorgen kwam ik in Skipr, nieuwsblad voor directeuren en managers in de zorg, een opiniestuk tegen waarin door mensen van het bureau Intermediair, de lessen werden gedeeld zoals ze deze bij enkele collega's hadden opgehaald. Het was niet het eerste artikel met dit thema: de crisis is nog niet achter de rug en we willen leren. Daar is helemaal niets mis mee. Sterker, het lijkt mij een hele gezonde reactie en ik lees dergelijk uitingen dan ook met belangstelling.

Alhoewel de bevraagde collega's leiding gaven aan (hele) grote instellingen, herken ik de beelden die werden gecreëerd in het artikel zonder meer. Zoals de opmerking dat een crisis "focus" oplevert. Inderdaad, half maart is mijn agenda volledig leeg geveegd en vanaf dat moment verdween ik in een maalstroom met maar één thema: corona. Alles was hier op gericht. Een ander genoemd effect, verbinding, komt hier onmiddellijk uit voort: omdat de focus zo specifiek en voor iedereen hetzelfde is, ontstaat er een eendracht binnen de organisatie die door velen, zelfs met de moeilijke maatregelen voor de bewoners, als plezierig wordt ervaren. Het is het verhaal van een gezamenlijke vijand waar iedereen op gericht is. En ja, dat werkt. Ook de derde, namelijk de snelheid in de besluitvorming komt hieruit voort. Immers, het doel is voor iedereen hetzelfde, dus er zit nauwelijks nog politiek in de besluitvorming. Zelfs het besluit tot het leegruimen van een afdeling administratie (om plaats te maken voor een covid-unit) en het herhuisvesten in een veel krappere ruimte, is binnen een uur genomen en nog dezelfde dag geëffectueerd. Mooi vond ik ook de opmerking van enkele collega's dat kennis belangrijk werd: expertise werd gewaardeerd en noodzakelijk in de besluitvorming. Immers, we waren met elkaar in een geheel onbekende wereld terecht gekomen en expertise betekende toch dat er houvast ontstond in de besluitvorming. Als bestuurder moest ik goed luisteren naar hen die echt verstand hadden van besmettingen, virusinfecties, geïsoleerd verplegen, opvang van bewoners en hier het proces op inrichten.

We zaten, als het ware, in een flow. En die ging 7 dagen per week door.

Eerlijk gezegd, ik vind de periode die na deze eerste crisis kwam (en waar we nu midden in zitten), veel spannender. Immers, de focus verdwijnt (en dat is ook logisch), zodat we inmiddels worden geconfronteerd met een veelheid van, niet zelden tegengestelde meningen. Er valt weer iets te kiezen en geleidelijk begint dit ook weer de verantwoordelijkheid van de organisaties te worden. Zelfs het RIVM meldt dat de door haar opgestelde protocollen niets meer zijn dan aanbevelingen. En ja, zo zijn er dus nu velen die komen met aanbevelingen. Neem de mondkapjesdiscussie: in de media lees ik in dezelfde krant drie geheel verschillende opvattingen en hieruit voortkomende aanbevelingen. Het ene ziekenhuis stelt mondkapjes voor alle bezoekers verplicht, een ander verbiedt het juist weer voor mensen die geen corona-klachten hebben. Beiden hanteren als argument dat ze duidelijkheid wensen te geven. En ik wil, als bestuurder, echt luisteren naar mensen die verstand hebben van al deze kwesties, maar ik kan gewoon kiezen want uiteindelijk is er voor iedere opvatting wel een deskundige te vinden. En deze veelheid van meningen vinden hun weg naar de mensen in mijn organisatie. Ik kom dus weer in mijn oude rol terecht. Juist omdat de focus verdwijnt.

Is dit allemaal verkeerd? Dat geloof ik niet. Tenminste, het is de situatie zoals we deze altijd al kenden. Of het nu over voetbal, het weer, de economie, gezondheid of een virusinfectie gaat, ons land kent 17 miljoen deskundigen en iedereen vindt er dan ook wat van. Als het gaat om beleid en koers, kent mijn organisatie 250 deskundigen met een vaak evenzovele diversiteit aan opvattingen. Daar kan je soms moe van worden, maar het is ook het resultaat van het fenomeen dat we vrijheid noemen. We hebben ermee te dealen. En, eerlijk gezegd, ik voel me er ook wel in thuis, zoveel eigenwijsheid en, toegegeven, ook wel soms eikels die maar wat uit de losse heup rond schieten.

Tenslotte is voor mij tekenend in deze periode het gegeven dat medewerkers moe zijn. Dit is lichamelijke vermoeidheid, door het harde werken van de afgelopen periode. Het is ook een geestelijke vermoeidheid door het maandenlang intensief moeten dealen met ingrijpende dilemma's. Emoties liggen dan ook dicht onder de oppervlakte en dit vraagt aandacht. Het is ook het onszelf een weg vinden in de vele tegenstrijdige opvattingen die van alle kanten op ons afkomen. Ik denk bijvoorbeeld aan de nieuwsuitingen waarin verpleeghuizen, de helden van maart, opeens in een beklaagdenbankje worden gezet. Dat hakt er in, zeker bij de medewerkers die alles hebben gegeven en niet zelden zich thuis in zelf-isolatie hielden om bewoners te kunnen beschermen.

Met enige weemoed wordt inmiddels teruggekeken naar de periode dat we eendrachtig samen optrokken en besluiten namen die onmiddellijk op veel draagvlak konden rekenen. Ik twijfel er niet aan: dat gaat verdwijnen en het is misschien maar goed ook. We moeten weer zelf gaan nadenken en we moeten aan anderen duidelijk maken waarom we tot bepaalde keuzes komen. En die ander hoeft het hier niet mee eens te zijn. Dat is ook prima. En die ander kan je daarom verrassen met inzichten die je zelf nog niet had ontdekt.

Misschien is de belangrijkste les uit de coronacrisis wel dat als de nood echt aan de man komt, we met elkaar in staat zijn om de tegenstellingen te overbruggen en samen te gaan werken.

Dat we vertrouwen kunnen hebben in elkaar en onze organisaties, als het er echt toe doet.

Mooie les toch?


woensdag 13 mei 2020

100 worden in coronatijd.


Vandaag ben ik langsgegaan bij meneer van Vliet. Op zijn buitendeur prijkte een eenzame, rode ballon. Hier stond “100” op. Meneer van Vliet is vandaag honderd jaar oud geworden.

Meneer is een lange man die zich sterk gebogen over zijn rollator schuifelend voortbeweegt. Hij moest zich dus even oprichten voordat hij kon zien wie er bij hem had aangebeld. Ik bleek een verrassing te zijn.

“Ehm… je was toch niet van plan om buiten te blijven staan?”

Ook het geen-handen-geven was niet aan hem besteed en ik kreeg een warme, langdurige hand van hem. Ik vermoed dat ik de eerste was vandaag die hem kwam feliciteren. Het was inmiddels 12.00 uur. Ik kreeg een stoel aangeboden en hij nam plaats in de stoel ernaast.

Tot vorig jaar zat zijn vrouw in de stoel waar ik nu zat, maar zij is overleden. Honderd jaar oud worden is ook een eenzame bezigheid: ieder die je lief is, verdwijnt langzamerhand uit je leven.

Ik vroeg hem hoe het was, 100 jaar oud worden. Hij keek me onderzoekend aan:

“Eerlijk? Eigenlijk is het saai…. Zeker op dit moment. Ik kreeg een briefje van de burgemeester. Ze had graag langs willen komen, maar ze mag het niet. Gister kwam wel de huisarts langs. Hij had twee assistentes meegenomen, maar die bleven buiten onderaan mijn balkon staan.”

Ik vroeg hem of hij misschien kinderen had. Die waren er, twee zonen. Eén van hen had gisteravond een paar slingers en ballonnen opgehangen. Vanavond zou hij ze weer komen opruimen.

“Tja, en verder….”

Hij zweeg en keek voor zich uit.

Opeens keek hij me fel aan.

“Nu u er toch bent…. Kunt u me nu eens uitleggen waarom ieder jaar opnieuw de huur wordt verhoogd?”

Ik wist het gesprek in een andere baan te leiden en we kwamen opnieuw uit op de eenzaamheid. Hij had gister nog aan de buurvrouw gevraagd of ze een kopje koffie wilde komen drinken, maar dat had de buurvrouw niet aangedurfd. Gelukkig hingen er een paar kaarten en samen bekeken we de namen van de mensen die aan hem hadden gedacht.

Hij verontschuldigde zich dat hij wat moeizaam las: de ogen werden minder. Demonstratief wees hij naar buiten naar een auto die aan de andere kant van de straat in een parkeervak stond geparkeerd.

“Kijk, ik zie nog dat het kenteken begint met “57”, maar die letters kan ik niet meer lezen.”

Ik had mijn bril niet op en kon maar nauwelijks de bedoelde auto zien.

De deurbel ging. Dat bleek het middageten te zijn. Het was geen verjaardagmaaltijd want dat wilde hij niet. Gewoon, aardappelen, groente en een stukje vlees. Ook geen toetje, want daar werd je maar dik van.

We namen weer afscheid.

“Op naar de 110”, hoorde ik hem zeggen toen hij de deur sloot.

zaterdag 2 mei 2020

Een knoop doorhakken...




Naarmate de coronacrisis langer duurt en de maatregelen slechts geleidelijk aan worden versoepeld, begint het draagvlak voor deze maatregelen af te nemen.

Het wordt weer drukker op de weg. Afgelopen week stond ik, voor het eerst sinds weken, weer eens stil in een lange rij auto's. De straten beginnen zich weer meer te vullen met winkelend publiek. Gister kwam ik enkele auto 's tegen waarachter een caravan was aangehaakt. De mensen gingen duidelijk op vakantie.

Mensen beginnen voorzichtig, soms met mondkapje, te proeven aan dat wat we vrijheid noemen. Iets waar we nog maar enkele weken geleden nauwelijks over nadachten omdat het zo vanzelfsprekend is, maar waarvan we nu hebben ervaren dat het zomaar anders kan zijn. En natuurlijk proberen we uit waar precies de grenzen van diezelfde vrijheid liggen.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dit is blijkbaar de aard van het beestje dat we mens noemen.

Er wordt ook hard gemorreld aan het verbod om bewoners van een verpleeghuis, door de meeste kranten hardnekkig verzorgingshuis genoemd, te bezoeken. En als er één onderdeel van de "lock down" is waarvan ik het goed kan begrijpen dat er aan gemorreld wordt, dan is het deze wel. Het is namelijk een draconische ingreep die, naarmate de veiligheid van de bewoners meer wordt bereikt, het welzijn en de kwaliteit van leven juist meer aantast.

Want, ja, verpleeghuisbewoners zijn over het algemeen hoog bejaarde mensen die in de laatste fase van hun leven zijn. En ja, al voordat de coronacrisis uitbrak was de gemiddelde levensverwachting van een nieuwe bewoner in een verpleeghuis ongeveer 1 jaar. En ja, het laatste stukje levensvreugde is veelal het bezoek van de partner (niet zelden verbintenissen die 40, 50 of zelfs 60 jaar teruggaan), de kinderen en kleinkinderen. En ja, de meeste verpleeghuisbewoners leiden aan één of andere vorm van dementie en begrijpen met geen mogelijkheid waarom ze hun naasten opeens niet meer zien. Of ze vergeten domweg, als gevolg van diezelfde dementie, dat er überhaupt naasten zijn. Of ze worden opstandig, verdrietig of teren langzaam weg zonder dat je hen hierin een helpende hand kan reiken omdat ze onbereikbaar zijn.

Maar toch. Maar toch...

Het virus slaat onbarmhartig toe, juist in de verpleeghuizen, wereldwijd. En hoe je het ook wendt of keert, we zien in het hele land dat het effect van het virus langzaamaan keert. Ook in de verpleeghuizen. Het aantal besmettingen neemt af. Het aantal overlijdens neemt af.

Komt dit door de maatregelen? We denken het, maar we weten het niet zeker.

En dan ben je bestuurder en moet je steeds opnieuw weer een besluit nemen. Sta ik iets toe of niet? Versoepelen we de mogelijkheden of niet? Maak ik een uitzondering of niet?

Ik lig er regelmatig wakker van.

Ik ken de mensen om wie het gaat: de bewoner, de partner, de betrokken familieleden. Ik begrijp hun verdriet. Hun machteloosheid. Hun weerzin. Ik begrijp dat ze boos op iemand moeten zijn.

Op het moment dat je een besluit neemt, valt voor iedereen die het besluit aangaat, mijn voorliggende momenten van twijfel en slapeloosheid weg.

Dat heet "een knoop doorhakken".

Die knoop zit in dit geval ergens in mijn buik...

dinsdag 7 april 2020

Binnen!





Eén van de grappige effecten van de huidige crisis (jazeker, die zijn er ook), is dat oplossingen mogelijk zijn die een half jaar geleden niet eens werden bedacht.

Mijn kantoor grenst aan de binnentuin van ons complex in Hoofddorp. Er is zelfs een deur die toegang geeft tot de tuin. Voor de bewoners van het verpleeghuisdeel is er een toegang, halverwege de gang van de verpleegafdeling op de begane grond. De tuin is recent geheel opnieuw ingericht tot een belevingstuin en haar zonnige ligging maakt het kleine paradijsje compleet. Bewoners vertoeven hier dus graag.

Door het coronavirus worden de bewegingen over de gangen van de afdelingen tot een minimum teruggebracht. Derhalve is de gang op de begane grond afgesloten en kunnen de bewoners van de bovenliggende verdiepingen niet meer de tuin in komen.

De lift naar de bovenliggende verdiepingen is schuin voor mijn kamer.

U begrijpt het.

Mijn kamer is de doorgang naar de tuin geworden voor de bewoners van de 1e en 2e verdieping.

Het gaat de hele dag door: die meneer die zelf mijn kamer weet te vinden en mij altijd joviaal begroet met “Ha, directeur!”; de mevrouw in een rolstoel die mij wat klagend vraagt “waar ga ik nu heen?” en me vervolgens toefluistert dat ze van iedereen houdt; de mevrouw die al in slaap gevallen is voordat ze de tuin heeft bereikt; de meneer die steeds weer resoluut de andere kant oploopt als hij merkt dat ze de tuin weer verlaten, maar goedmoedig weer komt aansnellen als hij ziet dat de verzorgster aan het worstelen is met de deur en een dame in een rolstoel en ga zo maar door.

Heerlijke tafereeltjes.

Nog een leuke.

In onze organisatie is ooit bedacht dat iedere deur moet zijn voorzien van een dusdanige afsluiting dat een deur of met een “tag” of van binnenuit moet worden geopend. Die voorziening heb ik er voor mijn kantoor indertijd al snel van af gesloopt. 

Mijn deur is gewoon open. 

Gewoontes zijn echter sterk, zeker als het om de deur van de directeur gaat. Zo staat een medewerker soms langdurig te wachten tot het moment ik de deur, na het aankloppen, heb geopend. En een volgende keer weer en ja, de halsstarrige herhaalt dat zelfs een derde keer.

Bewoners hebben hier nooit last van. Die komen gewoon naar binnen als ik “binnen!” heb geroepen.