Vandaag ben ik langsgegaan bij meneer van Vliet. Op zijn buitendeur prijkte een eenzame, rode ballon. Hier stond “100” op. Meneer van Vliet is vandaag honderd jaar oud geworden.
Meneer is een lange man die zich sterk gebogen over zijn rollator schuifelend voortbeweegt. Hij moest zich dus even oprichten voordat hij kon zien wie er bij hem had aangebeld. Ik bleek een verrassing te zijn.
“Ehm… je was toch niet van plan om buiten te blijven staan?”
Ook het geen-handen-geven was niet aan hem besteed en ik kreeg een warme, langdurige hand van hem. Ik vermoed dat ik de eerste was vandaag die hem kwam feliciteren. Het was inmiddels 12.00 uur. Ik kreeg een stoel aangeboden en hij nam plaats in de stoel ernaast.
Tot vorig jaar zat zijn vrouw in de stoel waar ik nu zat, maar zij is overleden. Honderd jaar oud worden is ook een eenzame bezigheid: ieder die je lief is, verdwijnt langzamerhand uit je leven.
Ik vroeg hem hoe het was, 100 jaar oud worden. Hij keek me onderzoekend aan:
“Eerlijk? Eigenlijk is het saai…. Zeker op dit moment. Ik kreeg een briefje van de burgemeester. Ze had graag langs willen komen, maar ze mag het niet. Gister kwam wel de huisarts langs. Hij had twee assistentes meegenomen, maar die bleven buiten onderaan mijn balkon staan.”
Ik vroeg hem of hij misschien kinderen had. Die waren er, twee zonen. Eén van hen had gisteravond een paar slingers en ballonnen opgehangen. Vanavond zou hij ze weer komen opruimen.
“Tja, en verder….”
Hij zweeg en keek voor zich uit.
Opeens keek hij me fel aan.
“Nu u er toch bent…. Kunt u me nu eens uitleggen waarom ieder jaar opnieuw de huur wordt verhoogd?”
Ik wist het gesprek in een andere baan te leiden en we kwamen opnieuw uit op de eenzaamheid. Hij had gister nog aan de buurvrouw gevraagd of ze een kopje koffie wilde komen drinken, maar dat had de buurvrouw niet aangedurfd. Gelukkig hingen er een paar kaarten en samen bekeken we de namen van de mensen die aan hem hadden gedacht.
Hij verontschuldigde zich dat hij wat moeizaam las: de ogen werden minder. Demonstratief wees hij naar buiten naar een auto die aan de andere kant van de straat in een parkeervak stond geparkeerd.
“Kijk, ik zie nog dat het kenteken begint met “57”, maar die letters kan ik niet meer lezen.”
Ik had mijn bril niet op en kon maar nauwelijks de bedoelde auto zien.
De deurbel ging. Dat bleek het middageten te zijn. Het was geen verjaardagmaaltijd want dat wilde hij niet. Gewoon, aardappelen, groente en een stukje vlees. Ook geen toetje, want daar werd je maar dik van.
We namen weer afscheid.
“Op naar de 110”, hoorde ik hem zeggen toen hij de deur sloot.

