Vrijdag 18 september was het zover.
Het COVID-virus was binnengedrongen in één van onze lokaties. Twee bewoners bleken te zijn besmet. We besloten al snel om alle medewerkers en bewoners te testen. Nog diezelfde avond stonden een aantal van onze verpleegkundigen en enkele artsen, samen met verschillende administratieve ondersteuners een lange, lange rij medewerkers met het beruchte wattenstaafje slijm diep uit de keel en uit de neus af te nemen.
Het moest buiten gebeuren.
Het was koud en het was regenachtig.
Diep in de nacht gingen de mensen van het crisisteam naar huis om de volgende ochtend opnieuw een lange rij medewerkers testen.
Tegelijkertijd waren artsen en verpleegkundigen op de vier afdelingen bezig om alle bewoners een test af te nemen.
Dit zijn allen mensen die lijden aan één of andere vorm van dementie. Zij begrijpen niet wat er aan de hand is en de mensen in plastic pakken, mondmaskers voor, spatbrillen op en handschoenen aan, helpen niet erg mee om enig begrip te laten ontstaan. Integendeel: meerdere bewoners worden angstig, beginnen te huilen of reageren boos op wat hen wordt aangedaan.
De verpleegkundigen noemden het een traumatische ervaring. In de eerste plaats voor de bewoners, maar zeker ook voor hen.
Omdat de verpleegafdelingen zich in een verouderd gebouw bevinden, waarin logistieke stromen onmogelijk van elkaar kunnen worden gescheiden, besluiten we de locatie voorlopig te sluiten voor bezoek.
De medewerkers lopen minimaal met een mondkapje voor over de afdeling. De bewoners die positief zijn getest, liggen op hun eigen kamer in quarantaine en worden benaderd door medewerkers, ook nu weer gehuld in plastic pakken, spatbrillen, mondmaskers en handschoenen.
Beschermende kleding die iedere keer weer moet worden uitgetrokken en weggegooid als de zorghandeling in het appartement achter de rug is. Een zware belasting voor de medewerkers.
Door het testen bleek al snel dat er 4 bewoners waren besmet (waarvan 3 op dezelfde afdeling) en ook meerdere collega's, waarvan in ieder geval één die geen klachten had gehad.
En ondertussen raast het in de media maar door.
De zin en onzin van alle maatregelen. De zorgen over de laksheid van velen. Ik zie tot mijn verbijstering een plein vol voetbalsupporters in Tilburg op elkaar gepakt staan brullen. Nota bene in Tilburg. Nota bene vertellen enkelen dat hun opa, hun oma, hun buurman, is overleden aan het virus.
En ondertussen zie ik de aantallen besmettingen groeien en hoor ik de waarschuwingen over de toename van het aantal ziekenhuisopnames en IC-plaatsingen.
Onze geestelijk verzorger vertelt me over medewerkers van de besmette locatie die geëmotioneerd hun verhaal doen.
Leden van ons crisisteam, die al 1 1/2 week van de (zeer) vroege ochtend tot diep in de avond werken om de zorg overeind te houden en grip te krijgen op de uitbraak.
Mensen van de GGD en het streeklaboratorium die overspoeld worden door alle nieuwe gevallen, maar desondanks blijven meedenken en helpen.
En ondertussen lees ik de aanzwellende kritiek op de GGD, terwijl het enige echte antwoord zou moeten zijn dat we ons aan de basale afspraken houden. Het is, volgens mij, beter om op die manier te helpen dan om aan de zijlijn maar wat meningen te ventileren.
Onze medewerkers vechten een strijd tegen een virus waarvan we weten dat de strijd ongelijk is. Desondanks staan ze er voor onze hoogbejaarde bewoners. Met man (nou ja, het zijn veel meer vrouwen) en macht wordt er gewerkt en aangepakt. Zoals mensen in de zorg zijn: praktisch en aanpakken.
Morgen is het zondag.
Is het veel gevraagd om even onze meningen voor ons te houden en voor hen, de medewerkers en de bewoners te bidden?
