vrijdag 27 maart 2020
Een andere tijd...
Gisteravond sprak ik mijn raad van toezicht. Dat gebeurde digitaal: we spraken elkaar via de camera op onze laptop. Achter de hoofden op het scherm, zagen we de verschillende werk- en woonomgevingen.
Het is mijn gewoonte om een kort bestuursverslag te schrijven waarin ik de belangrijkste gebeurtenissen van de afgelopen periode beschrijf. Ik had dit verslag 2 weken geleden geschreven en rondgestuurd. Ik las, voorafgaand aan de vergadering, dit verslag nog even door.
Het was een bizarre ervaring. De onderwerpen van het beschrevene van twee weken geleden vulden in die tijd mijn agenda, mijn tijd en mijn hoofd.
Het leek een epistel uit een andere wereld. Een andere tijd. Een andere dimensie.
Het waren de verhalen uit een wereld vol stroperigheid, aarzelingen en veel over geld en zorgen hierover.
Een andere wereld.
Alles is sinds twee weken geconcentreerd op één onderwerp.
Corona.
We realiseren ons, na de beelden uit Italië en, dichterbij, Brabant, dat er een enorme golf op ons afrolt. Deze kan ons nu ieder ogenblik bereiken en overspoelen.
We hebben daarom direct een crisisteam gevormd en de agenda's zijn volledig leeggehaald.
Wonderlijk hoe je met een, feitelijk, lege agenda toch zo verschrikkelijk druk kan zijn.
Het stramien is simpel.
We beginnen in de ochtend met een bijeenkomst van het managementteam en enkele stafmedewerkers. Dat duurt ongeveer een uur. Er is geen agenda en er zijn geen notulen. Alleen een actielijst en deze wordt strak bijgehouden. Als iemand informatie wilt vastleggen, dan mag hij dat zelf doen.
Aansluitend bel ik dagelijks in voor een overleg met collega-bestuurders van verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties uit heel Noord Holland en Flevoland, waarin we zoveel mogelijk informatie afstemmen en tot gezamenlijke acties komen. Het overleg is zakelijk en to the point.
Ik ken vrijwel niemand van deze collegae. Als ik ze op straat tegenkom, loop ik nietsvermoedend aan ze voorbij. Als ik hun stem hoor, kan het zijn dat ik iets van herkenning ervaar.
Ik schrijf kort een update voor de medewerkers, welke direct wordt gedeeld via de mail en het intranet.
Tussendoor blijven de mailberichten, de opmerkingen/ vragen via whatsapp en telefoontjes binnenkomen. Medewerkers vragen, altijd terecht, aandacht. Ik loop mijn rondjes door de locaties. Er zijn talloze adhoc overleggen. Voortdurend worden er knopen doorgehakt.
Opeens is het 14.00 uur: het crisisteam doorloopt de afspraken van die dag en beoordeelt of er nog extra actie moet worden ondernomen of dat iets kan worden uitgesteld. De crisismanager deelt haar zorgen over de gaten in de planning of over verdenkingen van besmetting bij bewoners en medewerkers. Veel, heel veel moet ter plekke worden bedacht en taken worden opnieuw verdeeld.
Alles is nieuw.
Dan duiken we weer de organisatie in en opeens is het dan 17.00 of 18.00 uur of nog later. Thuis gaan de berichten en de mails gewoon door. De tijd wordt genomen om aan de eettafel nog iets uit te werken.
Stroperigheid bestaat niet meer. Op enig moment realiseren we ons dat we zoveel mogelijk moeten clusteren om de schaarse persoonlijke beschermingsmiddelen (mondkapjes, brillen, etc) te sparen. Ter plekke besluiten we de administratie, die grenst aan twee logeerkamers, te verplaatsen naar een andere plek in het gebouw. Diezelfde avond wordt de vloerbedekking losgetrokken en de volgende dag een gietvloer uitgegoten. Nog weer enkele uren later staan de bedden en nachtkastjes in de vrijgekomen ruimte.
Verpleegkundigen beginnen met het indelen van kasten en setjes beschermingsmaterialen, het opstellen van werkinstructies en doordenken van het juiste gebruik van de ruimtes en de logistieke routes. Facilitaire mensen zijn druk doende om overal vandaan de noodzakelijke meubels te verzamelen en technische aanpassingen te realiseren.
Ondertussen maakt de regering bekend dat al het bezoek aan bewoners van een verpleeghuis verboden is.
Ondertussen beginnen de dramatische verhalen uit Brabant door te dringen.
Ondertussen laten de media vol continu de beelden, de cijfers, verwachtingen, de vrees, de schaamteloosheid als gevolg van de coronauitbraak van over de hele wereld zien.
Ondertussen staat een 14-jarige trompettist buiten tegen de gevel van één van onze lokaties te spelen en komen bloemkwekers dagelijks bossen met bloemen brengen.
Ondertussen bieden banken, verzekeraars, bedrijven, adviseurs, scholieren allemaal hun hulp aan.
En nee, het aantal mogelijke besmettingen is bij ons vooralsnog op één hand te tellen.
Maar we maken ons geen enkele illusie.
We hebben geen idee wat er op ons afkomt...
maar het komt....
vrijdag 13 maart 2020
Een generale repetitie van iets wat hopelijk nooit komt...
![]() |
| het noro-virus |
Ik had de woorden "Crisis? Liever niet" nog niet opgeschreven, of we stortten ons als een soort lemmingen in een ware crisis:
corona.
Alhoewel ik deze virusinfectie en haar gevolgen, met name voor ouderen, zeer serieus neem, kan ik me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat er ook veel hysterie komt kijken bij de effecten. Ik denk dan aan de leeggekochte supermarkten waar het blik met soep en, met name, het toiletpapier in enorme aantallen in de achterbak van geschrokken medelanders verdwijnt.
Als ik hen goed beluisterde en bekeek op het journaal, was dit nu juist de groep die het minst te vrezen had: de jongere, vitale stellen. Ouderen die men voor de camera aansprak, maakten duidelijk al dat hamsteren maar waanzin te vinden.
Robert Long zong het indertijd al:"wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen..."
Hoe dan ook, de ironie wil dat we in onze organisatie juist in deze periode hard moeten werken om het noro-virus weer buiten de deur te krijgen.
Voor de niet-kenners: het noro-virus is een beruchte binnen de zorginstellingen. Het veroorzaakt in extreem korte tijd koorts, heftige braakaanvallen en diarree. Ze is daarom, zeker voor ouderen, erg gevaarlijk: ze raken snel uitgedroogd, met alle gevolgen van dien. Ze verspreidt zich bovendien in razend tempo en het vereist direct en heel gecoördineerd ingrijpen en vooral extreem nauwlettende hygiëne om het beest te weren.
Enigszins spottend merkten we naar elkaar op dat deze noro-besmetting een soort generale repetitie was voor dat wat hopelijk niet zou komen: het corona-virus. De maatregelen: handen wassen, zieken geïsoleerd verplegen, nauwlettende afspraken rond de logistiek van vuil linnengoed en handdoeken e.d. en zo min mogelijk groepsbijeenkomsten om onderlinge besmetting te voorkomen, ze lijken erg op wat er bij een eventuele uitbraak van corona ook weer nodig zou zijn.
Vooralsnog concentreerden we ons op het bestrijden van noro en bereidden we ons tegelijkertijd voor op corona.
Opvallend is altijd weer de saamhorigheid die binnen onze instelling ontstaat om gezamenlijk de problemen op te lossen. Zorgmedewerkers, kwetsbaar door hun intensieve contacten met de bewoners, raken zelf besmet en vallen uit. Afdelingen met kwetsbare bewoners worden afgesloten om verspreiding van het virus te voorkomen en de hele logistiek van linnengoed en voeding moet op basis hiervan worden ingericht en is veel arbeidsintensiever. Er moet dagelijks in het hele pand worden gepoetst (leuningen, deurknoppen, etc). Kortom, in de periode dat er relatief veel uitval is door ziekte, zijn er juist veel extra handen nodig.
Mensen van de administratie, personeelszaken, secretariaat en management stropen dan ook de mouwen op en vullen zoveel mogelijk de openvallende gaten in.
Zo ook de directeur.
Vandaag liep ik te poetsen en even later (na uitgebreid mijn handen te hebben gewassen en de beschermende kleding voor het poetsen te hebben omgewisseld voor die van het maaltijden delen) hielp ik met het delen van de maaltijden in de aanleunwoningen: het restaurant was immers gesloten om onderlinge besmetting te voorkomen.
Een directeur die etensbladen rondbrengt, wordt toch nog veelal als een bijzonder verschijnsel ervaren. Op zijn minst omdat ze nu eindelijk deze medewerker eens concreet aan het werk zien.
"Aha, u bent gedegradeerd!", riep een bewoonster me toe, toen ze mij bij haar appartement tegenkwam.
Ik bleef even staan:
"Lieve mevrouw, zegt u mij eens eerlijk: aan wie heeft u nu eigenlijk meer....de medewerker die u uw eten komt brengen, of die man die wat onduidelijke dingen zit te doen achter zijn bureau...?"
"Ja, die medewerker die me eten komt brengen natuurlijk," was het spontane antwoord.
"Zegt u me dan nog eens: vindt u dan echt dat ik ben gedegradeerd?"
Ze moest gelukkig lachen om mijn reactie en ik kreeg een vette knipoog.
Mensen, ik heb zo'n mooie baan.
Abonneren op:
Reacties (Atom)

