vrijdag 13 maart 2020

Een generale repetitie van iets wat hopelijk nooit komt...

het noro-virus

Ik had de woorden "Crisis? Liever niet" nog niet opgeschreven, of we stortten ons als een soort lemmingen in een ware crisis:

corona.

Alhoewel ik deze virusinfectie en haar gevolgen, met name voor ouderen, zeer serieus neem, kan ik me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat er ook veel hysterie komt kijken bij de effecten. Ik denk dan aan de leeggekochte supermarkten waar het blik met soep en, met name, het toiletpapier in enorme aantallen in de achterbak van geschrokken medelanders verdwijnt.

Als ik hen goed beluisterde en bekeek op het journaal, was dit nu juist de groep die het minst te vrezen had: de jongere, vitale stellen. Ouderen die men voor de camera aansprak, maakten duidelijk al dat hamsteren maar waanzin te vinden.

Robert Long zong het indertijd al:"wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen..."

Hoe dan ook, de ironie wil dat we in onze organisatie juist in deze periode hard moeten werken om het noro-virus weer buiten de deur te krijgen.

Voor de niet-kenners: het noro-virus is een beruchte binnen de zorginstellingen. Het veroorzaakt in extreem korte tijd koorts, heftige braakaanvallen en diarree. Ze is daarom, zeker voor ouderen, erg gevaarlijk: ze raken snel uitgedroogd, met alle gevolgen van dien. Ze verspreidt zich bovendien in razend tempo en het vereist direct en heel gecoördineerd ingrijpen en vooral extreem nauwlettende hygiëne om het beest te weren.

Enigszins spottend merkten we naar elkaar op dat deze noro-besmetting een soort generale repetitie was voor dat wat hopelijk niet zou komen: het corona-virus. De maatregelen: handen wassen, zieken geïsoleerd verplegen, nauwlettende afspraken rond de logistiek van vuil linnengoed en handdoeken e.d. en zo min mogelijk groepsbijeenkomsten om onderlinge besmetting te voorkomen, ze lijken erg op wat er bij een eventuele uitbraak van corona ook weer nodig zou zijn.

Vooralsnog concentreerden we ons op het bestrijden van noro en bereidden we ons tegelijkertijd voor op corona.

Opvallend is altijd weer de saamhorigheid die binnen onze instelling ontstaat om gezamenlijk de problemen op te lossen. Zorgmedewerkers, kwetsbaar door hun intensieve contacten met de bewoners, raken zelf besmet en vallen uit. Afdelingen met kwetsbare bewoners worden afgesloten om verspreiding van het virus te voorkomen en de hele logistiek van linnengoed en voeding moet op basis hiervan worden ingericht en is veel arbeidsintensiever. Er moet dagelijks in het hele pand worden gepoetst (leuningen, deurknoppen, etc). Kortom, in de periode dat er relatief veel uitval is door ziekte, zijn er juist veel extra handen nodig.

Mensen van de administratie, personeelszaken, secretariaat en management stropen dan ook de mouwen op en vullen zoveel mogelijk de openvallende gaten in.

Zo ook de directeur.

Vandaag liep ik te poetsen en even later (na uitgebreid mijn handen te hebben gewassen en de beschermende kleding voor het poetsen te hebben omgewisseld voor die van het maaltijden delen) hielp ik met het delen van de maaltijden in de aanleunwoningen: het restaurant was immers gesloten om onderlinge besmetting te voorkomen.

Een directeur die etensbladen rondbrengt, wordt toch nog veelal als een bijzonder verschijnsel ervaren. Op zijn minst omdat ze nu eindelijk deze medewerker eens concreet aan het werk zien.

"Aha, u bent gedegradeerd!", riep een bewoonster me toe, toen ze mij bij haar appartement tegenkwam.

Ik bleef even staan:

"Lieve mevrouw, zegt u mij eens eerlijk: aan wie heeft u nu eigenlijk meer....de medewerker die u uw eten komt brengen, of die man die wat onduidelijke dingen zit te doen achter zijn bureau...?"

"Ja, die medewerker die me eten komt brengen natuurlijk," was het spontane antwoord.

"Zegt u me dan nog eens: vindt u dan echt dat ik ben gedegradeerd?"

Ze moest gelukkig lachen om mijn reactie en ik kreeg een vette knipoog.

Mensen, ik heb zo'n mooie baan.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten