maandag 7 oktober 2024

mannenpraatgroep

een willekeurige mannenpraatgroep

In het complex van aanleunwoningen dat grenst aan het verpleeghuis in één van onze locaties, ontstond alweer enige jaren geleden een mannenpraatgroep. Het is een spontaan initiatief waar ook (veelal wat oudere) mannen uit de buurt aan deelnemen. Er zit, zover ik weet, geen beperking aan de onderwerpen dus behalve de oplossing van wereldproblemen, wordt ook druk gediscussieerd over de brandweer, de verhuurder (dat zijn wij), gebeurtenissen in de wijk en gaan de mannen zo nu en dan op stap om bijvoorbeeld in de haven van Scheveningen een haring te nuttigen. Omdat de gespreksgroep ook nog wel eens werd benut om (zeer) kritisch over onze organisatie te spreken, werd mij met enige regelmaat vanuit leidinggevenden gevraagd of we hier niet iets aan moesten doen. Nog even los van het feit dat ik werkelijk geen idee zou hebben wat ik hieraan zou kunnen doen (het zijn volwassen mannen die spontaan met elkaar in gesprek gaan), is het wel het laatste dat ik zou willen om me te bemoeien met een dergelijk initiatief. Overigens hebben de dames in het complex zich niet onbetuigd gelaten en vormen zij sinds enkele maanden een vrouwenpraatgroep.

Ondanks dat ik soms last heb van de sfeer die in de groep kan ontstaan, er wordt natuurlijk ook wel negatief over mij gesproken als ik bijvoorbeeld de verrekening van de energie aan de bewoners heb verzonden, vind ik het prachtig dat dit soort dingen gewoon gebeuren. Mensen nemen spontaan het initiatief om tot iets nieuws te komen. Juist omdat het én spontaan is én nieuw, sluit het over het algemeen naadloos aan op een behoefte die blijkbaar leeft. In dit geval: de behoefte aan onderling contact. Het effect van beide praatgroepen is dat de bewoners vanuit dit contact elkaar ook gaan helpen met allerlei zaken waar ze tegenaan lopen. En op zichzelf werkt dat heel goed.

Het is een beetje de grote wereld in het klein. Immers, onder druk van de vergrijzing, de oplopende zorgkosten, naast een toenemend arbeidsmarktprobleem, zien we nu overal dat de vanzelfsprekendheid waarmee zorgbehoeftige mensen een beroep kunnen doen op de professionele zorg steeds minder wordt. Het beroep op kinderen, buren, naasten om meer en intensiever voor elkaar te zorgen, neemt alleen maar toe. Op allerlei plekken zien we initiatieven ontstaan en overal horen we ook over de vele hobbels en kuilen die moeten worden genomen als het gaat om regelgeving, financiering en beleid. Onze systemen zijn er nog niet op ingericht en nogal wat, vaak goedbedoelde burgerinitiatieven eindigen dan ook in frustratie. Gelukkig zijn er ook overal volhouders en komt er veel moois tot ontwikkeling: het wijkpaleis in Rotterdam Delfshaven; Austerlitz zorgt; de zorgzame straten in Antwerpen. Het is vaak roeien tegen de stroom in, maar als het lukt, dan gebeurt er ook echt wat in je straat, je wijk, je dorp.

Terug naar de gespreksgroepen in het complex van aanleunwoningen. Ook hier ontstaan zorgzame verhoudingen, maar, dat moet gezegd, dit is tegen wil en dank. Juist deze generatie ouderen wordt voor het eerst geconfronteerd met de gevolgen van een verzorgingshuis dat niet meer bestaat. Vrijwel iedereen is naar dit complex getrokken vanuit de verwachting dat er dus voor hen gezorgd zal gaan worden als dit noodzakelijk is. Het onbegrip is dan ook groot als ik, ietwat provocerend, naar hen opmerk dat ik eigenlijk niet meer ben dan de verhuurder van hun woning. Het is niet voor het eerst dat ik een bewoner moet uitleggen dat ik er echt niet aan begin om persoonlijk kennis te maken met iedere nieuwe bewoner in het complex (dat zou mij op jaarbasis 2 maanden tijd kosten). Ook is het voor hen bijna niet uit te leggen dat ik alleen de receptietijden wil uitbreiden, als ik dit van hen mag verrekenen in de servicekosten en dat de huismeester best wel bereid is om een paar schilderijtjes op te hangen, maar dat hiervoor wel een factuur wordt verzonden. Dit alles nog even los van het gegeven dat het maar de vraag is of ik in de (nabije) toekomst nog voldoende menskracht vindt om als receptiemedewerker of huismeester in dienst te komen. De eerste vrijwilligers hebben al achter de receptie plaatsgenomen.

Het zijn de verschijnselen van een nieuwe wereld waar we met elkaar naar toe bewegen. Een wereld waarin we bijna als vanzelfsprekend zorg voor elkaar moeten hebben en we dit nota bene ook nog zelf moeten organiseren. Een wereld waarin ouderencomplexen mogelijk alleen nog "werken" als hier, naast de ouderen, ook jongeren huisvesting vinden. Jongeren en ouderen die samen een zorgzame gemeenschap kunnen vormen. Ik zie het er nog wel van komen dat de restaurants in onze voorzieningen alleen open kunnen blijven als vanuit de bewoners vrijwilligers opstaan die hier hun schouders onder willen zetten, of, het is maar een idee, kinderen die bardiensten komen draaien. Dat deze kinderen veelal ook alweer zestigers en zeventigers zijn, daar ben ik me zeer van bewust. Zover zijn we nog lang niet. Maar hoopvol blijft het: dat de ouderen zich hebben georganiseerd in twee gespreksgroepen en steeds meer samen optrekken op deze moeizame en hobbelige weg. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten