vrijdag 2 juli 2021

Kop van Jut



Eén van de eerste dingen die ik heb geleerd op een mediatraining is altijd ALTIJD om inzage te vragen in het artikel dat gaat worden gepubliceerd of om het inzien van de opname die zal worden gebruikt voor uitzending. 

Ik ben niet beroemd of berucht en maar zelden onderwerp van belangstelling van het journaille en toch is bovenstaande vraag nooit een probleem geweest. En ja, er konden correcties worden uitgevoerd, waarbij de journalist wel zijn of haar journalistieke vrijheid wenste te behouden. 

Afgelopen week heeft het mannenbolwerk "Geen Stijl" haar nieuwe kop van Jut: Sigrid Kaag voor de leeuwen gegooid met onthullingen over een documentaire die van de D'66 voorvrouw is gemaakt tijdens de verkiezingen. En ja, natuurlijk dook de tweelingbroer van Geen Stijl, de Telegraaf, hier bovenop en vervolgens rolde zo ongeveer het complete journaille van zowel radio, televisie als papier in deze komkommertsunami mee.

Kaag haar kop moet rollen en de aanvallen zijn ongekend en fel.

Ik walg ervan.

Bevreesd duikt iedereen die tegenwicht zou kunnen bieden weg en vervolgens zit ik avondenlang te kijken naar een discussie over een gordel die tijdens een opname van een autorit niet werd gedragen. En verrek, iedereen vindt hier dan ook weer wat van.

Wat is er toch aan de hand in ons land? Er is een politica, nogmaals niet van mijn partij, die verstandige dingen zegt, die oproept tot matiging in de maar voortdurende polarisatie van kleingeestige meningen en ja hoor, bakken met vuil krijgt ze over zich heen gestort. Tot in de kamer toe, waar ze, je gelooft gewoon je oren niet, doodleuk wordt beschuldigd een soort terroristenvriendin te zijn. En een kamervoorzitter die weigert in te grijpen.

Lieve lezers, er was één (EEN!) politica, ook weer niet mijn partij, die het lef opbracht het debat te verlaten omdat ze onder deze condities niet verder wenste te gaan.

Het is niet nieuw dat GeenStijl en de Telegraaf linkse, moedige vrouwelijke politica op ongehoorde wijze de modder in proberen te trappen: Femke Halsema weet hier alles van, maar wat mij echt verbaasd is de laffe, kleingeestige meepraterij van werkelijk alles wat zich journalist noemt: links, rechts, van het midden. Tjongejonge, jongejonge, ons land schudt op zijn grondvesten:

Dat het verzoek is gedaan om de naam van een kamerlid die door een gefrustreerde Kaag wordt bespot, in de documentaire wordt weggelaten (omwille van de verhoudingen); dat beelden van het drinken van champagne worden weggelaten. Niet omdat Kaag stomdronken voor de camera staat, maar omdat het wellicht, mogelijk een verkeerd beeld zou kunnen geven.

Het zijn nogal wereldschokkende onthullingen.

Dat hier wellicht, vanuit journalistieke spelregels, zaken soms minder scherp zijn gehouden dan misschien had gemoeten, laat dat vooral een discussie zijn tussen de redactie, de betreffende documentairemaker en een paar journalisten. Wijdt op pagina 12 van de krant een paar regels aan deze discussie. Maar hou op net te doen of onze parlementaire democratie door deze documentaire op instorten is komen te staan. Laten we ophouden om op alles wat Kaag doet en zegt een vergrootglas te leggen die in geen enkele verhouding staat tot de werkelijkheid. Laten we toch eindelijk eens accepteren dat ook vrouwen in de politiek een belangrijke rol kunnen spelen en zelfs mogelijk minister president zouden kunnen worden. Laten we toch eens ophouden te denken dat hoge bomen veel wind vangen en daarom maar moeten accepteren dat het geoorloofd is om hen zonder enige gene op de huid te zitten. 

Laten we toch eens beginnen om een beetje vriendelijk te zijn voor elkaar. 

woensdag 23 juni 2021

Stalker

                             


Afgelopen week was ik in een telefonisch overleg met de financiële man van onze organisatie. Tijdens het gesprek werd ik gebeld door een mij onbekend nummer in Nieuw Vennep. Ik drukte het gesprek weg en vervolgde mijn overleg. Nog geen 30 seconden later werd ik opnieuw gebeld door hetzelfde nummer, welke ik opnieuw wegdrukte. Dit herhaalde zich vier keer, zodat ik mijn overleg even afbrak om te horen waarom ik zo nadrukkelijk en steeds opnieuw werd benaderd.

Het bleek mevrouw Laurens en zij verontschuldigde zich. Ze was in de veronderstelling haar vriendin te bellen en blijkbaar was er iets niet goed gegaan. 

Dat kan gebeuren.

Nog geen uur later werd ik opnieuw gebeld door dezelfde mw. Laurens. Ik zat opnieuw in overleg en het gesprek werd door mij weer geweigerd. Mw. Laurens is een volhouder, dus ook deze keer benaderde ze mij 5 keer achter elkaar. Wederom brak ik het overleg af en stond ik mw. Laurens te woord.

Mw. Laurens haar stem klonk bejaard. Hoog bejaard. Ze gaf opnieuw de uitleg dat ze haar vriendin probeerde te bellen. Ik vroeg haar welk nummer deze vriendin had, maar dat bleek een domme vraag: het nummer dat ze had geprobeerd te bellen natuurlijk. Voorzichtig probeerde ik uit te leggen dat hier iets onmogelijks gebeurde: als dit nummer van haar vriendin was, dan zou ze mij niet aan de lijn krijgen. Maar de wereld van de techniek zat voor mw. Laurens niet zo logisch in elkaar: het nummer zou wel kloppen, maar de verbinding niet.

Ze bood haar excuses aan en ze verbrak de verbinding.

De verdere dag liet mw. Laurens mij met rust.

Dat veranderde de volgende dag.

Hoe ze het voor elkaar krijgt is mij een raadsel, maar opnieuw zat ik in overleg. Inmiddels herkende ik het nummer en ik weigerde het gesprek. Mw. Laurens is een volhouder en nog geen minuut later meldde ze zich weer. Al pratende met mijn gesprekspartner zoefde mijn vingers over het display van mijn telefoon en blokkeerde ik het nummer van mw. Laurens.

Dat scheelde.

Wel kreeg ik nu 6 keer de melding dat ik een voicemailbericht had.

Mw. Laurens.

Geen enkele keer sprak ze iets in, maar aan haar gezucht te horen was ze diep ongelukkig met de vergeefse poging haar vriendin te spreken te krijgen.

Ik liet het maar even gaan in de veronderstelling dat mw. Laurens vanzelf wel zou ophouden om mijn nummer te draaien.

Dat was dom van mij gedacht.

Dagelijks rond 11.00 uur 's ochtends begon mw. Laurens aan een nieuwe poging haar vriendin te bellen. Dit herhaalde ze steeds vijf keer achter elkaar en steeds wachtte ze totdat ze de voicemail hoorde. Ik begreep nu ook waarom ze deze niet insprak: het bericht waarmee ik mijn voicemail inleid, maakt de beller duidelijk dat ze Erik Zwart hebben bereikt.

Steeds werd de verbinding verbroken met een diepe zucht van mw. Laurens.

Na vijf dagen had ik er genoeg van. 

Nu belde ik mw. Laurens.

Schuldbewust nam ze de telefoon aan. Ze wist waarom ik belde, bekende ze. Verbaasd vroeg ik haar waarom ze zo halsstarrig mijn nummer bleef draaien, tot vijf keer per dag toe, terwijl ze steeds opnieuw tijdens de voicemail te horen kreeg dat ze verkeerd verbonden was.

"Omdat ik dit nummer van mijn vriendin heb gekregen..."

"Maar wanneer begrijpt u dat het een verkeerd nummer is dat uw vriendin heeft opgegeven?"

Daar gaf ze geen antwoord op. Ze begon me uit te leggen dat ze het echt niet deed om mij te pesten. Ik vertelde dat ik dit direct van haar wilde aannemen, maar als iemand vijf dagen achter elkaar minstens vijf keer op een dag belt, dan begint het toch op pesten te lijken...

Die begreep ze niet.

Op de achtergrond hoorde ik andere stemmen. Ze had visite, legde mw. Laurens uit. Ik vroeg of dit toevallig die ene vriendin was, maar dat bleek helaas niet het geval. Ze wilde wel van mij af want ja, visite...

Ze beloofde plechtig mij niet meer te zullen bellen. 

Ik geloof haar.

Nog geen uur later kreeg ik een waarschuwing dat iemand mijn voicemail had ingesproken.

Mw. Laurens.

Een diepe zucht.

Ik vrees dat mw. Laurens en ik ongewild samen verder door het leven zullen gaan.

zaterdag 20 maart 2021

Waarom ik op Sigrid Kaag heb gestemd

 


 

Ik ben niet zo'n enorme liefhebber van D'66. Het gemak waarmee het door deze partij zelf zo gewenste bindend referendum, mede door haar toedoen, weer werd afgeschaft; zoals al verschillende jaren geleden ook de mogelijkheid tot een lokaal referendum bij een burgemeesterbenoeming naar de prullenbak werd verwezen.... en dat voor een partij die nu juist is opgericht om tot politieke vernieuwing te komen. Het komt allemaal wat bevreemdend op mij over. Ook haar wat drammerige toon in het debat over het voltooid leven en de snelheid die ze hierbij wenst om de mogelijkheid in wetgeving vast te leggen, in weerwil van de waarschuwende geluiden van vele deskundigen (ook van D'66 huize), het heeft mij regelmatig de wenkbrauwen doen fronsen.

En toch stemde ik bij de laatste verkiezingen op D'66.

Om preciezer te zijn: ik stemde op Sigrid Kaag.

Ik ben één van die mensen die zich werkelijk schaamt dat ons land nog steeds niet een vrouwelijke minister president heeft gekend. Het is werkelijk te belachelijk voor woorden dat wij blijkbaar een cultuur handhaven waarbij vrouwen geen vanzelfsprekende kandidaten kunnen zijn naast de mannelijke.

Dat een vrouw wordt beoordeeld op een, blijkbaar, wat duurdere jurk die ze draagt en ik nog nooit een commentaar heb gehoord op de maatpakken van de heren. 

Duidelijk ook geen C&A-tjes.

Dat een vrouw zich moet laten welgevallen dat zij op social media kan worden uitgemaakt voor alles wat smerig, lelijk en afstotend is, omdat ze voor de troepen durft te gaan staan en haar mening geeft.

Dat de meeste vrouwen die dergelijke drek over zich heen krijgen, door schade en schande wijs geworden, inmiddels het zwijgen er maar toe doen.

En Kaag, tegen deze mores in, het gewoon aan ons bekend maakte. En ik verbijsterd hoorde wat ze allemaal over zich heen had gekregen.

Maar het kantelpunt voor mij kwam in een debat met Geert Wilders, waarin hij Kaag verwijt dat ze, door een hoofddoek te dragen tijdens een bezoek als minister van Buitenlandse Zaken aan Iran. Iets waar ze door de wetgeving van dat land toe wordt gedwongen (en anders was ze het land niet eens in gekomen). Een debat waarin hij haar meerdere keren "verrader" toefluistert omdat ze hiermee het belang van de Iraanse vrouwen zou hebben ondergraven.

Nog even los van het gegeven dat dit wel een erg goedkope truc was, gooit hij een bak modder over deze vrouw heen die juist door haar diplomatieke talenten in deze gebiedsdelen het grootste respect verdient. 

Zij gooide overigens niet met modder terug. 

Een vrouw die weet hoe het is om te worden klein gemaakt; in een hoek geduwd; uitgescholden te worden. En dan toch bereid is om op te komen voor Nederland en haar democratische uitgangspunten.

Ik heb op Sigrid Kaag gestemd.

En ja, ze mag van mij vol blijdschap op tafel dansen als meer mensen er zo over hebben gedacht.

Want ook hier waren het de mannen die hun zurige commentaar alweer klaar hadden.

vrijdag 12 februari 2021

Patient centraal!

 

In 1994 werd ik benoemd tot divisiemanager in het Groene Hart ziekenhuis en daarmee maakte ik de stap naar de directie van het ziekenhuis. Het was indertijd een gok: ik was opgeleid als verpleegkundige en altijd werkzaam geweest in de psychiatrische hulpverlening. Sinds enige jaren was ik afdelingshoofd van de afdeling psychiatrie (PAAZ) in het ziekenhuis. Ik had een aanvullende opleiding voor teamleider gevolgd en dat was het. 

Nou ja, er liep een interimbestuurder rond, Paul Sturkenboom, die de hele boel op zijn kop had gezet (zijn werk werd ook "kantelen" genoemd) en mij blijkbaar wel zag zitten.

Er werden geen zoete broodjes gebakken. Ik was nog geen week in functie toen ik bij hem werd geroepen en hij mij een geweldige donderpreek gaf: ik was (vloek) een duurbetaalde kracht en (vloek) waar bleek dit dan uit? Wanneer ging ik (vloek) eens wat doen?

Resultaatgericht werken, werd het nieuwe motto van het ziekenhuisbestuur. En ook, afrekenen op die resultaten want de tijd van vriendelijk polderen was voorbij. Ik herinner me nog hoe het ging als we een directievergadering hadden: de ochtend hieraan voorafgaand liep Paul mopperend en soms briesend door de gouden gang (hier zaten alle directieleden). Je hoorde hoe hij soms een deur inging en even later knalde die deur weer dicht en vervolgde hij zijn tirade, welke meestal onverstaanbaar was. Als het overleg begon, met aanwezigheid van de doktoren uit het medisch college, stond iedereen op scherp.

O ja, het waren allemaal mannen aan tafel.

O ja, door Paul Sturkenboom werd gerookt gedurende de vergadering.

Niemand die er iets van zei.

Het was een masculiene groep en daadkracht en doorpakken waren wel de belangrijke kernwoorden.

Ik moest in ieder geval voortaan in pak met stropdas op mijn werk verschijnen.

De begroting was een verhaal apart. Altijd gedonder tussen de snijdende en beschouwende vakken, altijd gedoe omdat de neurologen zich onbegrepen voelden in dit specialistengeweld. Het ging om grote investeringen en flinke belangen en iedere maatschap probeerde er steeds opnieuw, in wisselende fracties,  het beste voor hen eruit te slepen. Het was politiek pur sang. En de harde eis vanuit het bestuur was: je stopt pas als er een sluitende begroting ligt. En dus werd het nachtwerk en soms zelfs zagen we de zon opnieuw opkomen.

En natuurlijk moest ik opgeleid worden: het werd een bedrijfskundige opleiding en stopte ik mijn studie verplegingswetenschappen.

Management werd voor mij een wereld van actieplannen, targets, "resultaat onder aan de streep", marktoriëntaties en strategie tov concurrerende ziekenhuizen. Alles was haalbaar, als je je maar genoeg inzette.

O ja, er waren ook nog patiënten en medewerkers.

Die zag of sprak ik zelden.

Nou ja, als het eens helemaal misliep...

In die zelfde periode was er een gynaecoloog, een vrouw, die een groep fotografen het ziekenhuis in haalde. Zij liepen door het hele gebouw en het enige wat ze deden was het fotograferen (met verborgen camera) van het ziekenhuispersoneel dat ze tegenkwamen. Het resultaat liet ze ons, bestuur en directie, zien in een diareeks die zonder geluid en commentaar werd afgespeeld. Niemand maar dan ook werkelijk niemand keek de passerende bezoeker aan....

Het leverde vast een nieuw actieplan op.

Gister was ik, na 20 jaar, weer eens als bezoeker in het ziekenhuis. Door de aangebouwde nieuwbouw is het pand een voor mij onherkenbaar doolhof geworden. Ik dwaalde dus wat rond en opeens viel het mij op: niemand van de (vele) medewerkers onderweg, keek mij aan of vroeg me of ze konden helpen. Gelukkig kwam ik een kennis tegen die in het ziekenhuis werkt: zij wees mij de weg.

zaterdag 2 januari 2021

En toen werd de witte jas aangetrokken ...


Een gewaardeerde collega-bestuurder schreef op Linked-in:

"Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Kuipers, Gommers, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen ........................................................................................................................ 

oh ja, er werken ook mensen in de verpleeghuizen, thuiszorg, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg."

Dit naar aanleiding van de actie door Gommers en Kuipers om het vaccinatieprogramma, aanvankelijk opgezet om eerst de meest kwetsbaren en degenen die hen verzorgen, de mensen uit de verpleeghuizen dus, te beschermen, om te buigen naar een voorrangsbehandeling voor de medewerkers van de ziekenhuizen. Het argument is natuurlijk duidelijk: door de enorme golf van nieuwe corona-opnames en een oplopend ziekteverzuim bij de ziekenhuismedewerkers die bovendien ook nog eens doodmoe zijn van een jaar vrijwel onafgebroken extra diensten draaien met steeds minder mensen, dreigen de ziekenhuizen overbelast te raken. 

Dat moet worden doorbroken, zodat we de golf die er nog steeds aan zit te komen (Gommers dreigt bij voortduring met de Engelse variant, waarschijnlijk niet ten onrechte), nog enigszins te kunnen opvangen.

De trieste werkelijkheid is echter dat al deze argumenten net zo hard gelden voor de meeste andere sectoren in de zorg. Als verpleeghuisbestuurder ben ik met velen al maanden vrijwel onafgebroken bezig om onze beide huizen overeind te houden en waar mogelijk extra handen aan te trekken omdat de medewerkers moe zijn, ziek zijn en het gewoon zat zijn. Al weken krijgen we (gewaardeerde) hulp van het Rode Kruis.

En dan is het gewoon zuur om deze beide heren, domweg omdat ze acteren in de nieuwsmedia en domweg omdat ze (met recht) gewaardeerd worden om hun genuanceerde meningen, uiteindelijk de witte jas aan te zien trekken en voor de gretige camera's verklaren dat de ziekenhuizen nu toch echt voorrang verdienen. Het is toch ook weer een beetje "eigen volk eerst".

Hebben ze dan ongelijk? Nee, de nood is hoog en we hebben alle rede om ons ernstig zorgen te maken over de grote belasting van de zorg: ziekenhuizen, verpleeghuizen, GGZ-instellingen, instellingen voor verstandelijk gehandicapten, thuiszorg en ga zo maar door. Op al die plaatsen waar mensen geconcentreerd samen verblijven omdat ze zorg nodig hebben, is de nood hoog. Overal eist het COVID-virus haar zware tol en overal dreigt overbelasting. Dus, nee, de heren hebben geen ongelijk, maar misbruiken hun verworven positie en de altijd al stevige lobby van de ziekenhuizen in Den Haag nu wel om hun eigen sector in één ruk naar voren te duwen. 

De minister heeft alweer een relativerend excuus bedacht: het is een kleine zijstap. Hij vergeet erbij te vermelden dat hij onder de druk bezweken is want ook de oppositie in de kamer ruikt weer kansen.

Er is, door de schaarste aan vaccins en de hoge nood in alle delen van ons land, nooit een goede oplossing te bedenken. Bij iedere keuze die voor een sector wordt gemaakt, is een ander min of meer de pineut. Maar om dan weer terug te keren naar een oplossing van het recht van de sterkste?

Pleit ik dan voor een voorkeursbehandeling voor de verpleeghuizen? Zeker niet. Maar het zou zoveel helpen als we minder vanuit de traditionele machtsblokken denken en meer handelen over de sectoren heen. Om de handen ineen te slaan om samen te werken aan oplossingen. 

Ik weet het zeker, iedere sector kent voldoende redelijke mensen die bereid zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen. Die begrijpen dat er keuzes gemaakt moeten worden en knopen moeten worden doorgehakt. Dat je soms bereid moet zijn om even een pas op de plaats te maken om een ander voor te laten gaan of dat je soms moet delen waar te weinig te delen is en je het dan ook samen met te weinig moet doen. Of.... nou ja, duivelse dillema's. Maar waar je dan wel samen voor staat.

Zeker, een soort poldermodel, maar dan niet op basis van lobby en macht, maar op basis van verantwoordelijkheid nemen.  


zaterdag 26 september 2020

COVID



Vrijdag 18 september was het zover. 

Het COVID-virus was binnengedrongen in één van onze lokaties. Twee bewoners bleken te zijn besmet. We besloten al snel om alle medewerkers en bewoners te testen. Nog diezelfde avond stonden een aantal van onze verpleegkundigen en enkele artsen, samen met verschillende administratieve ondersteuners een lange, lange rij medewerkers met het beruchte wattenstaafje slijm diep uit de keel en uit de neus af te nemen. 

Het moest buiten gebeuren. 

Het was koud en het was regenachtig. 

Diep in de nacht gingen de mensen van het crisisteam naar huis om de volgende ochtend opnieuw een lange rij medewerkers testen.

Tegelijkertijd waren artsen en verpleegkundigen op de vier afdelingen bezig om alle bewoners een test af te nemen. 

Dit zijn allen mensen die lijden aan één of andere vorm van dementie. Zij begrijpen niet wat er aan de hand is en de mensen in plastic pakken, mondmaskers voor, spatbrillen op en handschoenen aan, helpen niet erg mee om enig begrip te laten ontstaan. Integendeel: meerdere bewoners worden angstig, beginnen te huilen of reageren boos op wat hen wordt aangedaan. 

De verpleegkundigen noemden het een traumatische ervaring. In de eerste plaats voor de bewoners, maar zeker ook voor hen.

Omdat de verpleegafdelingen zich in een verouderd gebouw bevinden, waarin logistieke stromen onmogelijk van elkaar kunnen worden gescheiden, besluiten we de locatie voorlopig te sluiten voor bezoek.

De medewerkers lopen minimaal met een mondkapje voor over de afdeling. De bewoners die positief zijn getest, liggen op hun eigen kamer in quarantaine en worden benaderd door medewerkers, ook nu weer gehuld in plastic pakken, spatbrillen, mondmaskers en handschoenen. 

Beschermende kleding die iedere keer weer moet worden uitgetrokken en weggegooid als de zorghandeling in het appartement achter de rug is. Een zware belasting voor de medewerkers.

Door het testen bleek al snel dat er 4 bewoners waren besmet (waarvan 3 op dezelfde afdeling) en ook meerdere collega's, waarvan in ieder geval één die geen klachten had gehad.

En ondertussen raast het in de media maar door.

De zin en onzin van alle maatregelen. De zorgen over de laksheid van velen. Ik zie tot mijn verbijstering een plein vol voetbalsupporters in Tilburg op elkaar gepakt staan brullen. Nota bene in Tilburg. Nota bene vertellen enkelen dat hun opa, hun oma, hun buurman, is overleden aan het virus.

En ondertussen zie ik de aantallen besmettingen groeien en hoor ik de waarschuwingen over de toename van het aantal ziekenhuisopnames en IC-plaatsingen.

Onze geestelijk verzorger vertelt me over medewerkers van de besmette locatie die geëmotioneerd hun verhaal doen.

Leden van ons crisisteam, die al 1 1/2 week van de (zeer) vroege ochtend tot diep in de avond werken om de zorg overeind te houden en grip te krijgen op de uitbraak. 

Mensen van de GGD en het streeklaboratorium die overspoeld worden door alle nieuwe gevallen, maar desondanks blijven meedenken en helpen.

En ondertussen lees ik de aanzwellende kritiek op de GGD, terwijl het enige echte antwoord zou moeten zijn dat we ons aan de basale afspraken houden. Het is, volgens mij, beter om op die manier te helpen dan om aan de zijlijn maar wat meningen te ventileren.

Onze medewerkers vechten een strijd tegen een virus waarvan we weten dat de strijd ongelijk is. Desondanks staan ze er voor onze hoogbejaarde bewoners. Met man (nou ja, het zijn veel meer vrouwen) en macht wordt er gewerkt en aangepakt. Zoals mensen in de zorg zijn: praktisch en aanpakken.

Morgen is het zondag. 

Is het veel gevraagd om even onze meningen voor ons te houden en voor hen, de medewerkers en de bewoners te bidden?

dinsdag 11 augustus 2020

Het fenomeen verpleeghuis

 

Onder de kop "verpleeghuis is geen tweederangs ziekenhuis", werd in Zorgvisie Anne Mei Thé uitgebreid aan het woord gelaten. Tijdens de coronacrisis is deze markante en, door haar opvattingen over de omgang met mensen met dementie, belangrijke onderzoekster aan het werk geweest in een verpleeghuis. 

Hiermee volgde ze weer een door haar beproefd spoor als cultureel antropoloog. Immers, haar eerste publicatie over verpleeghuizen ("In de wachtkamer van de dood") was op een vergelijkbare methode gebaseerd: meelopen, meewerken, kijken, toetsen en reflecteren vanuit de dagelijkse praktijk. Het leverde een confronterend en angstaanjagend boekwerk op. De bewoners van de Amsterdamse verpleeghuizen, van waaruit zij haar onderzoek verrichtte, bleken betreurenswaardige, onmondige mensen te zijn die in vaak mensonwaardige toestanden niets anders konden doen dan hopen dat er snel een eind aan zou komen. 

Nu zijn we inmiddels ruim 10 jaar verder en er is in die tijd veel gebeurt. Veelal hebben de bewoners een eigen kamer met eigen sanitair en zijn de 4- en 6-persoonskamers verdwenen. Het wonen in kleinschalige groepen zijn gemeengoed geworden en dokters lopen geen dagelijkse visite meer maar in plaats hiervan is er ieder half jaar een bespreking waarin ook de bewoner en naaste familie bij worden uitgenodigd. Juist ook vragen naar welzijn en zingeving maken deel uit van deze bespreking.

Toch ontkwam ik niet aan de indruk dat Mei Thé teleurgesteld was over hetgeen was bereikt. Dit werd vooral ingegeven doordat, onder druk van de coronacrisis, er, naar haar zin, te gemakkelijk werd mee bewogen in de landelijke tendens om vooral veiligheid als belangrijkste thema voor het beleid te doen gelden. Verpleeghuisbewoners werden opgesloten op de afdeling of zelfs in hun eigen appartementen; hun naasten mochten niet in hun nabijheid komen en iedere vorm van lichamelijk contact werd, behalve tijdens het douchen, verboden. Hiermee werd weliswaar zoveel als mogelijk de veiligheid bereikt waardoor de kans op een coronabesmetting werd geminimaliseerd; maar wat hierdoor ook werd geminimaliseerd, was het menselijk contact, waar zeker deze doelgroep, namelijk mensen met dementie, veel behoefte aan heeft. 

Ze had, met name vanuit bestuurders, meer tegengewicht verwacht in de disbalans tussen veiligheid en kwaliteit van leven, die deze periode is ontstaan.

Medewerkers die, buiten alle afspraken om, toch bezoek de afdeling op lieten komen of bewoners 's nachts maar door het pand lieten zwerven, worden door haar de heldenstatus toegekend.

En daar zit ik, als bestuurder, nu op te kauwen.

Het is goed dat mensen als Anne Mei Thé de lat leggen langs hetgeen we presteren in onze verpleeghuizen. Dat ze hiermee de discussie initieert over de vraag of we vanuit de sector niet te gemakkelijk hebben mee bewogen in de behoefte aan veiligheid voor bewoners, lijkt mij zeker zinvol. Ik vermoed, ze geeft dit zelf ook al aan, dat een radicale en algemene sluiting voor bezoek van de verpleeghuizen er voor een volgende keer niet meer inzit. Algemeen zijn we, directies van verpleeghuizen, wel tot de conclusie gekomen dat oplossingen veel lokaler en situationeel zullen moeten zijn. Ik kan dan nu allerlei argumenten aanhalen over waarom en hoe en hoezo, maar ze heeft natuurlijk gelijk. De overwegingen met betrekking tot kwaliteit van leven kwamen pas op een veel later moment en dan ook nog vanuit enkelingen. Dat we de vraag al veel eerder hardop hadden kunnen stellen zonder nu direct de veiligheid van bewoners buitenboord te kieperen, is evident. 

Of daarmee haar teleurstelling over hetgeen in de afgelopen 10 jaar is bereikt, ook terecht is, waag ik dan weer te betwijfelen. De impact van de coronacrisis is dermate groot, dat ze, in mijn optiek, geen goed perspectief kan bieden op de hier gestelde vraag. Alles was immers van het ene op het andere moment anders en we betraden een werkelijkheid die nog niemand van ons ooit had meegemaakt. De reflex om eerst en vooral te kiezen voor veiligheid, zelfs ten koste van kwaliteit en (soms) waardigheid, is veelzeggend en verdient nader onderzoek. Het betekent echter niet dat dit per definitie de basis is waarop verpleeghuiszorg is opgebouwd. Niet voor niets is er de afgelopen jaren stevig geïnvesteerd in programma's als "waardigheid en trots", "ontregeling van zorg", opleidingsprogramma's en ga zo maar door.

Ondanks dat er, naar mijn overtuiging, al veel is bereikt in het "vermenselijken" van de zorg voor onze oudste medelanders, moet ik toegeven dat we op één punt nog niet veel verder zijn gekomen. Immers, reeds in 1961 schreef Erving Goffman zijn nog altijd actuele studie over "totale instituties". Nog steeds zijn verpleeghuizen, hoe kleinschalig ook georganiseerd en opgebouwd, een plaats waar bewoners, meestal zonder dat ze hier zelf voor kiezen, terechtkomen in (weliswaar kleine) groepen van mensen die onderling niet voor elkaar hebben gekozen; worden echtparen vrijwel altijd nog uit elkaar gehaald omdat één van de partners moet worden opgenomen; voelen kinderen die zich bij hun vader of moeder op bezoek komen, zich gasten van het huis waar vader of moeder is opgenomen en komen de bewoners, na hun opname niet zelden ver van de samenleving af te staan. Ook bewoners die tot vlak voor opname bijvoorbeeld nog deel uitmaakten van een kerkkoor, blijken na hun opname steevast hier geen deel meer van uit te maken. 

In enkele studiereizen naar Denemarken heb ik gezien hoe men daar experimenteerde met de mogelijkheden om dit soort settingen gewoon af te breken en mensen die dementeren een plek te laten behouden midden in de samenleving. Dit leverde mooie experimenten op. Maar ik heb óók gezien hoe in wooncomplexen medewerkers, buiten alle afspraken om, de betreffende bewoners die dementeerden, toch weer samen brachten in één deel van het complex, omdat de onrust onder de andere bewoners anders niet meer te hanteren zou zijn geweest. Met het dringende verzoek aan mij om deze waarneming niet in mijn rapport op te nemen omdat de politieke werkelijkheid nu eenmaal dwingend voorschreef dat mensen met dementie gewoon onderdeel moesten kunnen blijven van de samenleving...

Een zorgzame samenleving waar mensen, hoe dan ook, als vanzelfsprekend een plaats hebben en worden geaccepteerd om wie ze zijn, we zijn er nog ver van verwijderd. Nederlandse verpleeghuizen doen veel om voor de bewoners tot een menslievend en zinvol verblijf te komen, maar kunnen nooit de uiteindelijke oplossing zijn om mensen met dementie hun plaats in de samenleving te laten behouden. Daarvoor zullen maatschappelijk nog wel de nodige paradigma's moeten worden geslecht.  Mensen als Anne Mei Thé helpen om de boel in beweging te houden en blijven dan ook prikkelen. 

 En ja, zolang blijven er ook medewerkers (en bestuurders) die, ondanks zware politieke druk, toch besluiten om hun eigen persoonlijke afweging hierin te maken.