woensdag 13 mei 2020

100 worden in coronatijd.


Vandaag ben ik langsgegaan bij meneer van Vliet. Op zijn buitendeur prijkte een eenzame, rode ballon. Hier stond “100” op. Meneer van Vliet is vandaag honderd jaar oud geworden.

Meneer is een lange man die zich sterk gebogen over zijn rollator schuifelend voortbeweegt. Hij moest zich dus even oprichten voordat hij kon zien wie er bij hem had aangebeld. Ik bleek een verrassing te zijn.

“Ehm… je was toch niet van plan om buiten te blijven staan?”

Ook het geen-handen-geven was niet aan hem besteed en ik kreeg een warme, langdurige hand van hem. Ik vermoed dat ik de eerste was vandaag die hem kwam feliciteren. Het was inmiddels 12.00 uur. Ik kreeg een stoel aangeboden en hij nam plaats in de stoel ernaast.

Tot vorig jaar zat zijn vrouw in de stoel waar ik nu zat, maar zij is overleden. Honderd jaar oud worden is ook een eenzame bezigheid: ieder die je lief is, verdwijnt langzamerhand uit je leven.

Ik vroeg hem hoe het was, 100 jaar oud worden. Hij keek me onderzoekend aan:

“Eerlijk? Eigenlijk is het saai…. Zeker op dit moment. Ik kreeg een briefje van de burgemeester. Ze had graag langs willen komen, maar ze mag het niet. Gister kwam wel de huisarts langs. Hij had twee assistentes meegenomen, maar die bleven buiten onderaan mijn balkon staan.”

Ik vroeg hem of hij misschien kinderen had. Die waren er, twee zonen. Eén van hen had gisteravond een paar slingers en ballonnen opgehangen. Vanavond zou hij ze weer komen opruimen.

“Tja, en verder….”

Hij zweeg en keek voor zich uit.

Opeens keek hij me fel aan.

“Nu u er toch bent…. Kunt u me nu eens uitleggen waarom ieder jaar opnieuw de huur wordt verhoogd?”

Ik wist het gesprek in een andere baan te leiden en we kwamen opnieuw uit op de eenzaamheid. Hij had gister nog aan de buurvrouw gevraagd of ze een kopje koffie wilde komen drinken, maar dat had de buurvrouw niet aangedurfd. Gelukkig hingen er een paar kaarten en samen bekeken we de namen van de mensen die aan hem hadden gedacht.

Hij verontschuldigde zich dat hij wat moeizaam las: de ogen werden minder. Demonstratief wees hij naar buiten naar een auto die aan de andere kant van de straat in een parkeervak stond geparkeerd.

“Kijk, ik zie nog dat het kenteken begint met “57”, maar die letters kan ik niet meer lezen.”

Ik had mijn bril niet op en kon maar nauwelijks de bedoelde auto zien.

De deurbel ging. Dat bleek het middageten te zijn. Het was geen verjaardagmaaltijd want dat wilde hij niet. Gewoon, aardappelen, groente en een stukje vlees. Ook geen toetje, want daar werd je maar dik van.

We namen weer afscheid.

“Op naar de 110”, hoorde ik hem zeggen toen hij de deur sloot.

zaterdag 2 mei 2020

Een knoop doorhakken...




Naarmate de coronacrisis langer duurt en de maatregelen slechts geleidelijk aan worden versoepeld, begint het draagvlak voor deze maatregelen af te nemen.

Het wordt weer drukker op de weg. Afgelopen week stond ik, voor het eerst sinds weken, weer eens stil in een lange rij auto's. De straten beginnen zich weer meer te vullen met winkelend publiek. Gister kwam ik enkele auto 's tegen waarachter een caravan was aangehaakt. De mensen gingen duidelijk op vakantie.

Mensen beginnen voorzichtig, soms met mondkapje, te proeven aan dat wat we vrijheid noemen. Iets waar we nog maar enkele weken geleden nauwelijks over nadachten omdat het zo vanzelfsprekend is, maar waarvan we nu hebben ervaren dat het zomaar anders kan zijn. En natuurlijk proberen we uit waar precies de grenzen van diezelfde vrijheid liggen.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dit is blijkbaar de aard van het beestje dat we mens noemen.

Er wordt ook hard gemorreld aan het verbod om bewoners van een verpleeghuis, door de meeste kranten hardnekkig verzorgingshuis genoemd, te bezoeken. En als er één onderdeel van de "lock down" is waarvan ik het goed kan begrijpen dat er aan gemorreld wordt, dan is het deze wel. Het is namelijk een draconische ingreep die, naarmate de veiligheid van de bewoners meer wordt bereikt, het welzijn en de kwaliteit van leven juist meer aantast.

Want, ja, verpleeghuisbewoners zijn over het algemeen hoog bejaarde mensen die in de laatste fase van hun leven zijn. En ja, al voordat de coronacrisis uitbrak was de gemiddelde levensverwachting van een nieuwe bewoner in een verpleeghuis ongeveer 1 jaar. En ja, het laatste stukje levensvreugde is veelal het bezoek van de partner (niet zelden verbintenissen die 40, 50 of zelfs 60 jaar teruggaan), de kinderen en kleinkinderen. En ja, de meeste verpleeghuisbewoners leiden aan één of andere vorm van dementie en begrijpen met geen mogelijkheid waarom ze hun naasten opeens niet meer zien. Of ze vergeten domweg, als gevolg van diezelfde dementie, dat er überhaupt naasten zijn. Of ze worden opstandig, verdrietig of teren langzaam weg zonder dat je hen hierin een helpende hand kan reiken omdat ze onbereikbaar zijn.

Maar toch. Maar toch...

Het virus slaat onbarmhartig toe, juist in de verpleeghuizen, wereldwijd. En hoe je het ook wendt of keert, we zien in het hele land dat het effect van het virus langzaamaan keert. Ook in de verpleeghuizen. Het aantal besmettingen neemt af. Het aantal overlijdens neemt af.

Komt dit door de maatregelen? We denken het, maar we weten het niet zeker.

En dan ben je bestuurder en moet je steeds opnieuw weer een besluit nemen. Sta ik iets toe of niet? Versoepelen we de mogelijkheden of niet? Maak ik een uitzondering of niet?

Ik lig er regelmatig wakker van.

Ik ken de mensen om wie het gaat: de bewoner, de partner, de betrokken familieleden. Ik begrijp hun verdriet. Hun machteloosheid. Hun weerzin. Ik begrijp dat ze boos op iemand moeten zijn.

Op het moment dat je een besluit neemt, valt voor iedereen die het besluit aangaat, mijn voorliggende momenten van twijfel en slapeloosheid weg.

Dat heet "een knoop doorhakken".

Die knoop zit in dit geval ergens in mijn buik...

dinsdag 7 april 2020

Binnen!





Eén van de grappige effecten van de huidige crisis (jazeker, die zijn er ook), is dat oplossingen mogelijk zijn die een half jaar geleden niet eens werden bedacht.

Mijn kantoor grenst aan de binnentuin van ons complex in Hoofddorp. Er is zelfs een deur die toegang geeft tot de tuin. Voor de bewoners van het verpleeghuisdeel is er een toegang, halverwege de gang van de verpleegafdeling op de begane grond. De tuin is recent geheel opnieuw ingericht tot een belevingstuin en haar zonnige ligging maakt het kleine paradijsje compleet. Bewoners vertoeven hier dus graag.

Door het coronavirus worden de bewegingen over de gangen van de afdelingen tot een minimum teruggebracht. Derhalve is de gang op de begane grond afgesloten en kunnen de bewoners van de bovenliggende verdiepingen niet meer de tuin in komen.

De lift naar de bovenliggende verdiepingen is schuin voor mijn kamer.

U begrijpt het.

Mijn kamer is de doorgang naar de tuin geworden voor de bewoners van de 1e en 2e verdieping.

Het gaat de hele dag door: die meneer die zelf mijn kamer weet te vinden en mij altijd joviaal begroet met “Ha, directeur!”; de mevrouw in een rolstoel die mij wat klagend vraagt “waar ga ik nu heen?” en me vervolgens toefluistert dat ze van iedereen houdt; de mevrouw die al in slaap gevallen is voordat ze de tuin heeft bereikt; de meneer die steeds weer resoluut de andere kant oploopt als hij merkt dat ze de tuin weer verlaten, maar goedmoedig weer komt aansnellen als hij ziet dat de verzorgster aan het worstelen is met de deur en een dame in een rolstoel en ga zo maar door.

Heerlijke tafereeltjes.

Nog een leuke.

In onze organisatie is ooit bedacht dat iedere deur moet zijn voorzien van een dusdanige afsluiting dat een deur of met een “tag” of van binnenuit moet worden geopend. Die voorziening heb ik er voor mijn kantoor indertijd al snel van af gesloopt. 

Mijn deur is gewoon open. 

Gewoontes zijn echter sterk, zeker als het om de deur van de directeur gaat. Zo staat een medewerker soms langdurig te wachten tot het moment ik de deur, na het aankloppen, heb geopend. En een volgende keer weer en ja, de halsstarrige herhaalt dat zelfs een derde keer.

Bewoners hebben hier nooit last van. Die komen gewoon naar binnen als ik “binnen!” heb geroepen.

zondag 5 april 2020

Verjaardag.



Gisterochtend reed ik de parkeerplaats op van één van onze twee locaties. Ik trof hier een groepje mensen aan en ik meende één van hen te herkennen: haar echtgenoot was enkele jaren geleden bij ons opgenomen geweest en inmiddels overleden. Ik wist dat ook haar moeder op één van onze afdelingen woonde.

Ze keek me aan.

"En dan word je moeder 97 jaar en dan mogen we niet bij haar op bezoek komen..."

Ze bleek namens de hele familie te spreken. Een ander, een kleindochter werd me duidelijk, hield een tasje omhoog waarin cadeautjes.

"Daar sta je dan..."

De toon was niet verwijtend. Eerder berustend. De teksten werden schouderophalend uitgesproken. Ik realiseerde me dat ik zometeen, voor de ogen van deze lieve mensen, het gebouw zou binnengaan.

Ik wel.

Het is niet uit te leggen.

Ik deed ook geen poging.

Ik vertelde dat ik het voor hen en vooral voor hun moeder en oma afschuwelijk vond dat op deze wijze haar verjaardag moest worden gevierd. Ik realiseer me dat, bij mensen op deze leeftijd, een variant op "volgend jaar beter" alleen maar schrijnend is: hoezo volgend jaar? Ik deed dan ook geen poging tot dergelijke wat valse positiviteit.

In de media zie ik geleidelijk aan steeds meer berichten en brieven verschijnen waarin hardop de vraag wordt gesteld wat nu eigenlijk de zin is van deze totale afgrendeling van bewoners in een verpleeghuis van de buitenwereld. Wat willen we bereiken? Veiligheid of kwaliteit van leven... en wat is dan die kwaliteit?

De 97-jarige begreep er in ieder geval helemaal niets van, zo merkte ik toen ik op mijn hurken naast haar rolstoel zat. Enkele medebewoners vonden het maar idioot dat de (klein)kinderen alleen vanaf de parkeerplaats naar oma konden zwaaien.

En ja, de opmerking dat dit virus niet meer is dan een variant op de gebruikelijke griep die ieder voorjaar de verpleeghuizen bedreigd, is ook erg hardnekkig.

De paar mensen die ik heb gesproken die zijn getroffen geweest door het virus, maken me echter steeds 1 ding duidelijk: het is geen griep maar vooral een hele nare ziekte waarbij je dagenlang de doodenge ervaring hebt dat je langzaamaan stikt.

Dat wil je je moeder ook niet aandoen.

Dan toch maar liever deze weken van afzondering en hopen op een spoedig afzwakken van de bedreiging, lijkt mij.

Maar ja, je zal maar jarig zijn precies in deze periode.

De 97-jarige haalde de verschillende geurflesjes uit het tasje, dat ik voor de kleindochter had meegenomen. Van buiten klonken de stemmen van kinderen en kleinkinderen die oma een fijne verjaardag toezongen.

Oma stak haar duim omhoog en zwaaide.

vrijdag 27 maart 2020

Een andere tijd...



Gisteravond sprak ik mijn raad van toezicht. Dat gebeurde digitaal: we spraken elkaar via de camera op onze laptop. Achter de hoofden op het scherm, zagen we de verschillende werk- en woonomgevingen.

Het is mijn gewoonte om een kort bestuursverslag te schrijven waarin ik de belangrijkste gebeurtenissen van de afgelopen periode beschrijf. Ik had dit verslag 2 weken geleden geschreven en rondgestuurd. Ik las, voorafgaand aan de vergadering, dit verslag nog even door.

Het was een bizarre ervaring. De onderwerpen van het beschrevene van twee weken geleden vulden in die tijd mijn agenda, mijn tijd en mijn hoofd.

Het leek een epistel uit een andere wereld. Een andere tijd. Een andere dimensie.

Het waren de verhalen uit een wereld vol stroperigheid, aarzelingen en veel over geld en zorgen hierover.

Een andere wereld.

Alles is sinds twee weken geconcentreerd op één onderwerp.

Corona.

We realiseren ons, na de beelden uit Italië en, dichterbij, Brabant, dat er een enorme golf op ons afrolt. Deze kan ons nu ieder ogenblik bereiken en overspoelen.

We hebben daarom direct een crisisteam gevormd en de agenda's zijn volledig leeggehaald.

Wonderlijk hoe je met een, feitelijk, lege agenda toch zo verschrikkelijk druk kan zijn.

Het stramien is simpel.

We beginnen in de ochtend met een bijeenkomst van het managementteam en enkele stafmedewerkers. Dat duurt ongeveer een uur. Er is geen agenda en er zijn geen notulen. Alleen een actielijst en deze wordt strak bijgehouden. Als iemand informatie wilt vastleggen, dan mag hij dat zelf doen.

Aansluitend bel ik dagelijks in voor een overleg met collega-bestuurders van verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties uit heel Noord Holland en Flevoland, waarin we zoveel mogelijk informatie afstemmen en tot gezamenlijke acties komen. Het overleg is zakelijk en to the point.

Ik ken vrijwel niemand van deze collegae. Als ik ze op straat tegenkom, loop ik nietsvermoedend aan ze voorbij. Als ik hun stem hoor, kan het zijn dat ik iets van herkenning ervaar.

Ik schrijf kort een update voor de medewerkers, welke direct wordt gedeeld via de mail en het intranet.

Tussendoor blijven de mailberichten, de opmerkingen/ vragen via whatsapp en telefoontjes binnenkomen. Medewerkers vragen, altijd terecht, aandacht. Ik loop mijn rondjes door de locaties. Er zijn talloze adhoc overleggen. Voortdurend worden er knopen doorgehakt.

Opeens is het 14.00 uur: het crisisteam doorloopt de afspraken van die dag en beoordeelt of er nog extra actie moet worden ondernomen of dat iets kan worden uitgesteld. De crisismanager deelt haar zorgen over de gaten in de planning of over verdenkingen van besmetting bij bewoners en medewerkers. Veel, heel veel moet ter plekke worden bedacht en taken worden opnieuw verdeeld.

Alles is nieuw.

Dan duiken we weer de organisatie in en opeens is het dan 17.00 of 18.00 uur of nog later. Thuis gaan de berichten en de mails gewoon door. De tijd wordt genomen om aan de eettafel nog iets uit te werken.

Stroperigheid bestaat niet meer. Op enig moment realiseren we ons dat we zoveel mogelijk moeten clusteren om de schaarse persoonlijke beschermingsmiddelen (mondkapjes, brillen, etc) te sparen. Ter plekke besluiten we de administratie, die grenst aan twee logeerkamers, te verplaatsen naar een andere plek in het gebouw. Diezelfde avond wordt de vloerbedekking losgetrokken en de volgende dag een gietvloer uitgegoten. Nog weer enkele uren later staan de bedden en nachtkastjes in de vrijgekomen ruimte.

Verpleegkundigen beginnen met het indelen van kasten en setjes beschermingsmaterialen, het opstellen van werkinstructies en doordenken van het juiste gebruik van de ruimtes en de logistieke routes. Facilitaire mensen zijn druk doende om overal vandaan de noodzakelijke meubels te verzamelen en technische aanpassingen te realiseren.

Ondertussen maakt de regering bekend dat al het bezoek aan bewoners van een verpleeghuis verboden is.

Ondertussen beginnen de dramatische verhalen uit Brabant door te dringen.

Ondertussen laten de media vol continu de beelden, de cijfers, verwachtingen, de vrees, de schaamteloosheid als gevolg van de coronauitbraak van over de hele wereld zien.

Ondertussen staat een 14-jarige trompettist buiten tegen de gevel van één van onze lokaties te spelen en komen bloemkwekers dagelijks bossen met bloemen brengen.

Ondertussen bieden banken, verzekeraars, bedrijven, adviseurs, scholieren allemaal hun hulp aan.

En nee, het aantal mogelijke besmettingen is bij ons vooralsnog op één hand te tellen.

Maar we maken ons geen enkele illusie.

We hebben geen idee wat er op ons afkomt...

maar het komt....

vrijdag 13 maart 2020

Een generale repetitie van iets wat hopelijk nooit komt...

het noro-virus

Ik had de woorden "Crisis? Liever niet" nog niet opgeschreven, of we stortten ons als een soort lemmingen in een ware crisis:

corona.

Alhoewel ik deze virusinfectie en haar gevolgen, met name voor ouderen, zeer serieus neem, kan ik me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat er ook veel hysterie komt kijken bij de effecten. Ik denk dan aan de leeggekochte supermarkten waar het blik met soep en, met name, het toiletpapier in enorme aantallen in de achterbak van geschrokken medelanders verdwijnt.

Als ik hen goed beluisterde en bekeek op het journaal, was dit nu juist de groep die het minst te vrezen had: de jongere, vitale stellen. Ouderen die men voor de camera aansprak, maakten duidelijk al dat hamsteren maar waanzin te vinden.

Robert Long zong het indertijd al:"wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen..."

Hoe dan ook, de ironie wil dat we in onze organisatie juist in deze periode hard moeten werken om het noro-virus weer buiten de deur te krijgen.

Voor de niet-kenners: het noro-virus is een beruchte binnen de zorginstellingen. Het veroorzaakt in extreem korte tijd koorts, heftige braakaanvallen en diarree. Ze is daarom, zeker voor ouderen, erg gevaarlijk: ze raken snel uitgedroogd, met alle gevolgen van dien. Ze verspreidt zich bovendien in razend tempo en het vereist direct en heel gecoördineerd ingrijpen en vooral extreem nauwlettende hygiëne om het beest te weren.

Enigszins spottend merkten we naar elkaar op dat deze noro-besmetting een soort generale repetitie was voor dat wat hopelijk niet zou komen: het corona-virus. De maatregelen: handen wassen, zieken geïsoleerd verplegen, nauwlettende afspraken rond de logistiek van vuil linnengoed en handdoeken e.d. en zo min mogelijk groepsbijeenkomsten om onderlinge besmetting te voorkomen, ze lijken erg op wat er bij een eventuele uitbraak van corona ook weer nodig zou zijn.

Vooralsnog concentreerden we ons op het bestrijden van noro en bereidden we ons tegelijkertijd voor op corona.

Opvallend is altijd weer de saamhorigheid die binnen onze instelling ontstaat om gezamenlijk de problemen op te lossen. Zorgmedewerkers, kwetsbaar door hun intensieve contacten met de bewoners, raken zelf besmet en vallen uit. Afdelingen met kwetsbare bewoners worden afgesloten om verspreiding van het virus te voorkomen en de hele logistiek van linnengoed en voeding moet op basis hiervan worden ingericht en is veel arbeidsintensiever. Er moet dagelijks in het hele pand worden gepoetst (leuningen, deurknoppen, etc). Kortom, in de periode dat er relatief veel uitval is door ziekte, zijn er juist veel extra handen nodig.

Mensen van de administratie, personeelszaken, secretariaat en management stropen dan ook de mouwen op en vullen zoveel mogelijk de openvallende gaten in.

Zo ook de directeur.

Vandaag liep ik te poetsen en even later (na uitgebreid mijn handen te hebben gewassen en de beschermende kleding voor het poetsen te hebben omgewisseld voor die van het maaltijden delen) hielp ik met het delen van de maaltijden in de aanleunwoningen: het restaurant was immers gesloten om onderlinge besmetting te voorkomen.

Een directeur die etensbladen rondbrengt, wordt toch nog veelal als een bijzonder verschijnsel ervaren. Op zijn minst omdat ze nu eindelijk deze medewerker eens concreet aan het werk zien.

"Aha, u bent gedegradeerd!", riep een bewoonster me toe, toen ze mij bij haar appartement tegenkwam.

Ik bleef even staan:

"Lieve mevrouw, zegt u mij eens eerlijk: aan wie heeft u nu eigenlijk meer....de medewerker die u uw eten komt brengen, of die man die wat onduidelijke dingen zit te doen achter zijn bureau...?"

"Ja, die medewerker die me eten komt brengen natuurlijk," was het spontane antwoord.

"Zegt u me dan nog eens: vindt u dan echt dat ik ben gedegradeerd?"

Ze moest gelukkig lachen om mijn reactie en ik kreeg een vette knipoog.

Mensen, ik heb zo'n mooie baan.


woensdag 26 februari 2020

Crisis? Liever niet.



Deze week was ik uitgenodigd om een bijeenkomst bij Aedes bij te wonen, waarin werd gesproken over de voorliggende opgave voor woningbouwcoöperaties als het gaat om de komende vergrijzing.

Aedes is de koepelorganisatie voor de woningbouwcoöperaties.

Aanwezig waren dan ook vertegenwoordigers van verschillende coöperaties, enkele zorgbestuurders, een vertegenwoordiging vanuit Actiz. Tot ieders verdriet had de Vereniging Nederlandse Gemeenten de bijeenkomst afgezegd. De noodzaak om de koppen bij elkaar te steken, druppelt maar langzaam diezelfde koppen binnen.

Hoe dan ook. Het was zo'n bijeenkomst waar grote woorden vielen. Men sprak over een "tsunami van ouderen" en het was noodzakelijk om te komen tot een "landelijk deltaplan". Tegelijkertijd werd opgemerkt dat het crisisbesef wat in deze bijeenkomst helder aanwezig was, nog lang niet op alle niveaus werd ervaren.

Ik moest stiekem denken aan de krantenkoppen van de afgelopen maanden, die schreeuwden de ene crisis na de andere over ons heen: stikstof; de bouw zit op slot; boze boeren; een struikelende Europese unie; brexit; opwarming aarde; de onhoudbare toestanden in vluchtelingenkampen op Griekse eilanden; Syrië en zo kan ik nog wel even doorgaan. Om het nog complexer te maken, lijkt er tussen vele crisisonderwerpen relatie te bestaan en bovendien wordt veel ook weer bestreden onder het mom van "fake news".

Misschien zijn we wel een beetje crisismoe en proberen velen het onvermijdelijke tij te keren door nadrukkelijk een andere kant op te kijken en geruststellend de schouders op te halen: "niks aan het handje".

Mij lijkt dat de impuls om een crisissfeer te maken, vooral voortkomt uit een poging de publieke opinie te beïnvloeden. Dit weer vanuit de gedachte dat als de publieke opinie in beweging is, de beslissers in politiek Den Haag wel zullen volgen.

Het effect is ook dat er steeds meer vanuit deze emotie ad hoc wordt gereageerd. Impulspolitiek op basis van de krantenkoppen van die ochtend. Dat leidt weer tot de sombere vaststelling dat er pas echt beweging in "onze" discussie zal komen als de eerste mensen met dementie betrokken raken bij ernstige of dramatische excessen.

Een nieuwe crisis zal dus en te laat komen en ons waarschijnlijk ook niet gaan helpen.

Misschien is dit wel zo'n moment dat bestuurders hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Op de achtergrond en zonder in de schijnwerpers te komen. Zonder grote woorden en gewoon aan de slag. We weten voor welke opgave we staan en we weten ook dat we nu en wel nu in beweging moeten komen.

Misschien is dit ook wel waar dienend leiderschap over gaat. Op de achtergrond, zonder ophef en zonder applaus de dingen doen die gewoon gebeuren moeten. Gewoon, omdat je je verantwoordelijk voelt....

en zelf over 20 jaar als oudere afhankelijk kan zijn van wat er nu bedacht gaat worden.