maandag 7 oktober 2024

mannenpraatgroep

een willekeurige mannenpraatgroep

In het complex van aanleunwoningen dat grenst aan het verpleeghuis in één van onze locaties, ontstond alweer enige jaren geleden een mannenpraatgroep. Het is een spontaan initiatief waar ook (veelal wat oudere) mannen uit de buurt aan deelnemen. Er zit, zover ik weet, geen beperking aan de onderwerpen dus behalve de oplossing van wereldproblemen, wordt ook druk gediscussieerd over de brandweer, de verhuurder (dat zijn wij), gebeurtenissen in de wijk en gaan de mannen zo nu en dan op stap om bijvoorbeeld in de haven van Scheveningen een haring te nuttigen. Omdat de gespreksgroep ook nog wel eens werd benut om (zeer) kritisch over onze organisatie te spreken, werd mij met enige regelmaat vanuit leidinggevenden gevraagd of we hier niet iets aan moesten doen. Nog even los van het feit dat ik werkelijk geen idee zou hebben wat ik hieraan zou kunnen doen (het zijn volwassen mannen die spontaan met elkaar in gesprek gaan), is het wel het laatste dat ik zou willen om me te bemoeien met een dergelijk initiatief. Overigens hebben de dames in het complex zich niet onbetuigd gelaten en vormen zij sinds enkele maanden een vrouwenpraatgroep.

Ondanks dat ik soms last heb van de sfeer die in de groep kan ontstaan, er wordt natuurlijk ook wel negatief over mij gesproken als ik bijvoorbeeld de verrekening van de energie aan de bewoners heb verzonden, vind ik het prachtig dat dit soort dingen gewoon gebeuren. Mensen nemen spontaan het initiatief om tot iets nieuws te komen. Juist omdat het én spontaan is én nieuw, sluit het over het algemeen naadloos aan op een behoefte die blijkbaar leeft. In dit geval: de behoefte aan onderling contact. Het effect van beide praatgroepen is dat de bewoners vanuit dit contact elkaar ook gaan helpen met allerlei zaken waar ze tegenaan lopen. En op zichzelf werkt dat heel goed.

Het is een beetje de grote wereld in het klein. Immers, onder druk van de vergrijzing, de oplopende zorgkosten, naast een toenemend arbeidsmarktprobleem, zien we nu overal dat de vanzelfsprekendheid waarmee zorgbehoeftige mensen een beroep kunnen doen op de professionele zorg steeds minder wordt. Het beroep op kinderen, buren, naasten om meer en intensiever voor elkaar te zorgen, neemt alleen maar toe. Op allerlei plekken zien we initiatieven ontstaan en overal horen we ook over de vele hobbels en kuilen die moeten worden genomen als het gaat om regelgeving, financiering en beleid. Onze systemen zijn er nog niet op ingericht en nogal wat, vaak goedbedoelde burgerinitiatieven eindigen dan ook in frustratie. Gelukkig zijn er ook overal volhouders en komt er veel moois tot ontwikkeling: het wijkpaleis in Rotterdam Delfshaven; Austerlitz zorgt; de zorgzame straten in Antwerpen. Het is vaak roeien tegen de stroom in, maar als het lukt, dan gebeurt er ook echt wat in je straat, je wijk, je dorp.

Terug naar de gespreksgroepen in het complex van aanleunwoningen. Ook hier ontstaan zorgzame verhoudingen, maar, dat moet gezegd, dit is tegen wil en dank. Juist deze generatie ouderen wordt voor het eerst geconfronteerd met de gevolgen van een verzorgingshuis dat niet meer bestaat. Vrijwel iedereen is naar dit complex getrokken vanuit de verwachting dat er dus voor hen gezorgd zal gaan worden als dit noodzakelijk is. Het onbegrip is dan ook groot als ik, ietwat provocerend, naar hen opmerk dat ik eigenlijk niet meer ben dan de verhuurder van hun woning. Het is niet voor het eerst dat ik een bewoner moet uitleggen dat ik er echt niet aan begin om persoonlijk kennis te maken met iedere nieuwe bewoner in het complex (dat zou mij op jaarbasis 2 maanden tijd kosten). Ook is het voor hen bijna niet uit te leggen dat ik alleen de receptietijden wil uitbreiden, als ik dit van hen mag verrekenen in de servicekosten en dat de huismeester best wel bereid is om een paar schilderijtjes op te hangen, maar dat hiervoor wel een factuur wordt verzonden. Dit alles nog even los van het gegeven dat het maar de vraag is of ik in de (nabije) toekomst nog voldoende menskracht vindt om als receptiemedewerker of huismeester in dienst te komen. De eerste vrijwilligers hebben al achter de receptie plaatsgenomen.

Het zijn de verschijnselen van een nieuwe wereld waar we met elkaar naar toe bewegen. Een wereld waarin we bijna als vanzelfsprekend zorg voor elkaar moeten hebben en we dit nota bene ook nog zelf moeten organiseren. Een wereld waarin ouderencomplexen mogelijk alleen nog "werken" als hier, naast de ouderen, ook jongeren huisvesting vinden. Jongeren en ouderen die samen een zorgzame gemeenschap kunnen vormen. Ik zie het er nog wel van komen dat de restaurants in onze voorzieningen alleen open kunnen blijven als vanuit de bewoners vrijwilligers opstaan die hier hun schouders onder willen zetten, of, het is maar een idee, kinderen die bardiensten komen draaien. Dat deze kinderen veelal ook alweer zestigers en zeventigers zijn, daar ben ik me zeer van bewust. Zover zijn we nog lang niet. Maar hoopvol blijft het: dat de ouderen zich hebben georganiseerd in twee gespreksgroepen en steeds meer samen optrekken op deze moeizame en hobbelige weg. 


maandag 29 juli 2024

Brand!

 


Vanmorgen werd ik verrast door de mededeling dat Horizon, één van onze lokaties, uitgebreid in de Telegraaf werd genoemd. Het bleek een artikel te zijn waarin bewoners in het complex van aanleunwoningen zich kritisch uiten over de nieuwe regelgeving met betrekking tot de brandveiligheid.

Het complex waar de woningen zich bevinden, kent zeer brede gangen en er zijn enkele atria, naast kleinere open plekken. De verschillende ruimtes zijn door de bewoners gevuld met zithoekjes, boekenkasten (voor gezamenlijk gebruik), biljarttafels, creatieve uitingen zoals zelf geknutselde modellen van onder andere een molen, planten en ga zo maar door. Je kan altijd discussiëren over de manier waarop de inrichting is vormgegeven, maar hier geldt duidelijk: de bewoners hebben dit zelf gedaan en ze zijn er tevreden over. Voor het beeld: het is zeker geen uitdragerij en er is nog altijd veel open ruimte.

Niet onbelangrijk: het zijn woningen voor ouderen en, een statistisch gevolg van de vergrijzing, we worden met ons allen steeds ouder en kwetsbaarder, steeds meer ouderen zijn zo slecht ter been dat een rollator niet meer voldoende is om de tocht naar de nabijgelegen winkels te maken. Velen hebben dan ook een, door de gemeente toegewezen, scootmobiel. De woningen zijn zo opgezet dat ervoor een nis is gemaakt waar deze scootmobiel kan worden geparkeerd en worden opgeladen.

Enige maanden geleden kwam de brandweer langs voor een inspectie. Op basis van nieuwe regelgeving, werd ons duidelijk gemaakt dat alles wat mogelijk brandbaar is, uit de openbare ruimte moet worden verwijderd: zitjes, planten, boekenkasten, biljarttafels en ga zo maar door. Ook het parkeren van een scootmobiel voor de woning werd verboden.

Als mogelijke oplossing suggereerde de brandweer dat deze scootmobielen wél in de woning zelf konden worden geparkeerd en opgeladen. Los van het gegeven dat een dergelijk gevaarte nooit op deze wijze kan worden gestald, is het toch ook wel vreemd dat het brandgevaar in de woning blijkbaar, in deze wet, geen probleem is. Dat is dan het probleem van de bewoner. Voor de openbare ruimte werd in het artikel door de brandweer de suggestie gedaan dat alles wat van staal, glas of beton was, zonder probleem in de ruimte kon worden geplaatst, mits het geen belemmering was in de vluchtroute.

Kortom, er wordt geen oplossing geboden, behalve dan flauwekulsuggesties.

Deze hele aanscherping van de regelgeving zou zijn voortgekomen uit een brand in een flat in Arnhem, waar, in de hal waar de lift zich bevond, een bank was neergezet die in brand was gevlogen, aldus het artikel in de Telegraaf. Het dramatische gevolg was dat twee bewoners zouden zijn overleden. Ik herinner me dit tragische ongeval en weet zeker dat dit geen complex voor ouderen was en ook dat de ruimte waar de bank was geplaatst helemaal niet geschikt was om een bank te plaatsen. De bank was waarschijnlijk daar neergezet omdat men er blijkbaar van af wilde. De manier waarop nu door regelgeving hier op wordt ingespeeld, is helaas steeds meer tekenend voor de wijze waarop ons land wordt bestuurd: ferme taal naar aanleiding van een incident en het afdwingen van (adhoc) maatregelen en het opnieuw afschieten van een kanon om de mug te doden.

Natuurlijk wil niemand brand in een woonomgeving, zeker als hier vele kwetsbare ouderen wonen. Natuurlijk willen we dat wij en onze ouderen veilig zijn. Maar er is toch ook een balans tussen wat veilig is en hoe onze leefomgeving eruit ziet? Als die leefomgeving alleen nog bestaat uit beton, glas en staal, dan is de wereld alleen nog maar koud, zielloos en hard. Is dat de ultieme prijs van veiligheid? Of kunnen we accepteren dat het leven risico’s met zich meebrengt en dat dat ook betekent dat het soms misgaat?

Heel terecht wordt door de bewoners geklaagd dat hun leefomgeving nu heel veel te lijden heeft onder deze rigide regelgeving. Ga maar na: de openbare ruimtes zijn voortaan kaal en zonder enige levendigheid. Dat de ruimtes juist vanuit het ontwerp bedoeld zijn om tot onderling contact te komen en het complex tot een levendig geheel te maken, daar gaat de nieuwe wet volkomen aan voorbij. Bovendien, het verplaatsen van de scootmobielen, weg van de woning, betekent voor meerdere bewoners dat zij hun appartement niet meer zullen kunnen verlaten. Of we moeten het, met de gemeente, zo gaan regelen dat deze bewoners een elektrische rolstoel voor binnen gebruik krijgen en de scootmobiel, geparkeerd in een fietsenstalling, voor buiten. Heeft iemand uitgerekend wat hiervan de consequenties zijn?

Ik heb enkele weken geleden Actiz, de koepelorganisaties voor ouderenzorg, al benaderd met de vraag of er vanuit hen actie verwacht kan worden. Hier heb ik, behalve een mail dat men er zich eens in gaat verdiepen, geen reactie meer op gehad.

De brandweer reageert niet op onze mailberichten en rapportages.

En ja, er is al een dwangsom in het vooruitzicht gesteld als we niet voldoen aan de regels.

dinsdag 20 september 2022

Het zijn roerige tijden ...

 Verdient zorgpersoneel echt zo ondermaats? - EW

 

Naast alle ceremonieel waarmee de koningin van Engeland naar haar laatste rustplaats werd begeleid, steken onze Nederlandse tradities en het vermogen tot imponerend vertoon wat magertjes af. Ik doel natuurlijk op het ritje dat door onze monarch wordt afgelegd door het Haagse naar, dat is ook zo wat, de schouwburg om zijn troonrede uit te spreken. Dat de koetsier de koets, niet langer een gouden maar een glazen, naar een theater moest manoeuvreren, daar kan onze koning natuurlijk niets aan doen. Na jaren gekrakeel  over kosten, wel of geen inpandige tuinen, aanbestedingsdiscussies en voorbijtrekkende architecten, wordt de Binnenhof gerenoveerd en daarmee ook de Ridderzaal. Alhoewel de koninklijke familie stug en vriendelijk bleef zwaaien, waren ook voor hen het “boe-geroep” en de schelle protestfluitjes vanuit het toegestroomde publiek soms goed hoorbaar.

Het zijn roerige tijden.

Dat geldt ook voor de aanloop naar deze derde dinsdag van september. Alhoewel het nieuws, met reden, vooral werd gedomineerd door de onhoudbare energieprijzen, de ongekende inflatie en daarmee de steeds minder verborgen armoede onder velen in ons land, werd zo hier en daar ook aandacht besteed aan de struikelpartij in de zorg die, na veel vijven en zessen, resulteerde in een matig gesteund integraal zorgakkoord: IZA.

Vanuit mijn rol als bestuurder in de ouderenzorg, maakte ik het proces vooral vanuit dit perspectief mee. Wat mij en anderen hierin vooral opviel is dat er niet eens zoveel weerstand is tegen de onderliggende gedachte van een dergelijk akkoord, namelijk de wens om gezamenlijk op te trekken in de vele uitdagingen waar we als verschillende zorgsectoren, financiers en beleidsmakers voor staan, maar wel een ongekend diep wantrouwen naar de zorgverzekeraars. Het akkoord bleek namelijk boterzacht en er was geen enkele garantie dat zorgverzekeraars nu bereid zouden zijn om te gaan investeren in de thuiszorg door de aanbieders minstens kostprijsdekkende tarieven aan te bieden. Sterker, de onderhandelingen over de tarieven voor 2023 zijn volop gaande en massaal maakten aanbieders duidelijk dat door de zorgverzekeraar geen krimp werd gegeven als het over onderhandelen ging. Het was gewoon weer, inmiddels een vervelende traditie, tekenen bij het kruisje.

Een brief vanuit de minister leek het beeld te bevestigen: goede bedoelingen, geen garanties.

De zorgaanbieders weigerden dan ook aanvankelijk om het akkoord te ondertekenen. Eerst zien en dan geloven; boter bij de vis, om maar eens een paar goede gewoontes te benoemen.

Binnen een week werden we opnieuw uitgenodigd voor een nieuwe ledenvergadering door de koepelorganisatie. Wat bleek, vanuit de zorgverzekeraars kwamen, voorzichtig, wat meer garanties over een beter tarief. Weliswaar kon dit niet integraal aan alle aanbieders worden aangeboden; maar de toezegging was dat in de individuele onderhandelingen deze ruimte genomen kon worden. Ook werden er wat potjes gevuld waar aanbieders gebruik van konden gaan maken.

Alhoewel ik wel begrijp dat de meeste leden deze vinger grepen om in ieder geval 2023 met betere tarieven in te gaan, bleef bij mij de aarzeling sterk.

Immers, we rommelen ons nu een akkoord in, terwijl het echte probleem niet bespreekbaar is. Namelijk dat we de zorg hebben gedefinieerd als een markt, waarbij de verschillende aanbieders zich als onderlinge concurrenten gedragen. In dat frame worden dus ook de spelregels bepaald: er kan geen generieke tariefverhoging voor alle aanbieders worden aangeboden; iedere aanbieder moet zelf onderhandelen over die betere prijs en het gedrag van de zorgverzekeraars is opeens nog begrijpelijk ook: ze spelen de marktpartijen zoveel mogelijk tegen elkaar uit. Nog een belangrijke uit de markt: hier geldt het recht van de sterkste. Kleine zorgpartijen komen, ook in de nu gecreëerde situatie, niet aan tafel bij een zorgverzekeraar.

De huisartsen hebben volhardt in hun standpunt. Moe en wantrouwig als ze zijn geworden van het spelbord zoals dat al jaren wordt gedomineerd door wantrouwen, controlezucht en het genadeloos omlaag duwen op de tarieven.

Heeft Actiz en hebben wij, haar leden, tactisch de juiste zet gedaan door alsnog akkoord te gaan met het voorliggende zorgakkoord? Ik ben er niet gerust op. Er is een wenkend perspectief geschreven dat samengevat kan worden als “samen”. Het lijkt mij dat er ook geen andere weg is en dat we hoognodig de handen in elkaar zullen moeten slaan. Maar juist dat samen is een belangrijke spelregel in het marktdenken: daar kleven nogal wat problemen aan. Het gedrag van de zorgverzekeraars en andere marktpartijen wordt immers niet bepaald door of het wel of geen goedwillende mensen zijn (en er is geen enkele reden om hier aan te twijfelen), maar door de spelregels die we als samenleving hebben geformuleerd, compleet met controlerende en zelfs afstraffende instanties.

"The proof of the pudding is the eating", om maar weer terug te keren naar Engeland. Het is niet eens het gedrag van de zorgverzekeraars waar we ons zorgen over moeten maken, maar de boterzachte garanties vanuit onze politieke voormannen en – vrouwen: zij zijn immers aan zet. Durven zij het marktdenken te doorbreken?

 

woensdag 17 augustus 2022

De toekomst is nu

 



De toekomst is nu.

16 augustus 2022

Mijn tijdlijn in Linkedin loopt momenteel vol met het bericht uit de Telegraaf, waarin wordt aangekondigd dat in het nieuwe regeerakkoord 600 miljoen op de thuiszorg gaat worden bezuinigd en 80 miljoen op de huisartsenzorg. Voeg hier in gedachten bij dat door minister Helder ook al nadrukkelijk is aangegeven dat er in de toekomst geen extra bed voor de verpleeghuizen bijgebouwd kan worden en het raadsel is compleet.

De vergrijzing slaat op dit ogenblik al genadeloos toe en onlosmakelijk hiermee verbonden is de groei van het aantal zorgbehoeftige ouderen. Met het blokkeren van de bouw van nieuwe verpleeghuisbedden, komt de druk dan ook onverbiddelijk op de thuissituatie te liggen.

Nu is de voorgenomen lijn om het land niet vol te bouwen met verpleeghuizen om de effecten van de vergrijzing op te vangen, niet onlogisch. Immers, er komt op enig moment ook weer een einde aan de groei van de groep ouderen (en wat moet je dan met al die gebouwen), maar vooral: een ander effect van de vergrijzing is het  wegvallen van het arbeidspotentieel. We zullen domweg niet voldoende mensen hebben om de zorg in al die verpleeghuizen uit te voeren.

Het moet dus anders en daar is iedereen het ook wel over eens.

Lia de Jongh, bestuurder Topaz, een grote VVT-organisatie, is al enige maanden op zoek geweest naar wijsheid in dit vraagstuk. Uit een hele reeks interviews is door haar de conclusie getrokken dat “we” (de VVT-sector) in een achteruitkijkspiegel kijken bij het nadenken over oplossingen. De concepten van nu, het verpleeghuis, is een verkeerd uitgangspunt. Bij het ouder worden heeft niemand het ideaal om oud te worden in een verpleeghuis, maar wel in een eigen omgeving. Leefplezier is als term een mooie illustratie van haar visie op vooruit: “wat kun je zelf betekenen in het levensgeluk van je naaste?”

Nauw hierop aansluitend zijn de opvattingen over positieve gezondheid, waarbij vooral dat wat iemand nog wél kan centraal blijft staan en hier kracht uit put. Wat geeft je leven betekenis en wat geeft je veerkracht. Een mens is meer dan zijn of haar diagnose.

Ook de opvattingen van minister Helder sluiten aan op het leefplezier, maar dan meer vanuit de rol die de directe omgeving hierin speelt. Een actief netwerk waarbij mensen, familie, buren, kerkgenoten, voor elkaar klaar staan vanuit een soort wederzijdsheid: je helpt elkaar.

Het zijn concepten die in elkaars verlengde liggen en elkaar ook aanvullen. Het zijn vooral concepten die een heel andere benadering kiezen voor ouderdom. Niet langer het “de ouderdom komt met gebreken”, maar “gebruik maken van je levenservaring”. De oudere als ervaringsdeskundige en een actief en waardevol deelnemer aan de samenleving.

Het zijn concepten waar we ons allemaal veel bij kunnen voorstellen en tegelijkertijd schetst het een beeld dat vaak ver van ons afstaat. In onze geïndividualiseerde samenleving, waarbij ouders en kinderen niet meer als vanzelfsprekend in elkaars buurt wonen; waar verenigingen moeizaam zoeken naar vrijwilligers voor allerlei taken of zichzelf uiteindelijk maar opheffen; waar gepensioneerde ouderen massaal gedurende vele maanden met de caravan Europa intrekken; waar onderlinge verhoudingen op allerlei terreinen steeds verder polariseren. Het lijkt allemaal ver af te staan van de beelden die conceptueel worden aangewezen als oplossingsrichtingen.

In deze context kan ik me de ongerustheid van mijn collega-bestuurders over de voorgenomen bezuinigingen in de thuis- en huisartsenzorg levendig voorstellen. Immers, we kunnen en mogen dromen van een samenleving waar de ene buur de andere helpt en kinderen klaar staan om de zorg voor hun ouders op zich te nemen, de werkelijkheid is echter dat we in ieder geval nog ver weg zijn van een dergelijke samenleving. En, hoezeer de beroepsgroep ook onder druk staat, veel zal toch op hen afkomen als we geen weg vinden om het conceptuele om te zetten in werkelijkheid. Dat hier mogelijkheden voor zijn, ik wil er echt in geloven. Dat dit nog wel de nodige tijd en moeite zal gaan kosten, daar twijfel ik niet aan. In de plannen van het kabinet lijkt dan ook opnieuw veel wensdenken te zijn geslopen en daar hebben we ervaring mee.

Ik wijs nog maar eens op de decentralisatie van de jeugdzorg en de hiermee gepaard gaande bezuinigingen die op voorhand werden ingeboekt. De rest is hier helaas geschiedenis en niet zo’n fraaie …

zondag 13 februari 2022

Meneer H.

Alweer enkele jaren geleden kreeg ik de volgende klacht op mijn bureau. Met name de beide dochters van één van de bewoners van onze aanleunwoningen, de heer H., waren, na zijn overlijden, zeer ontevreden met de geboden zorg. Ze hadden het gevoel dat de zaken volledig uit de hand waren gelopen waardoor hun vader niet de zorg had gekregen waar hij recht op had. Opvallend was dat het thuiszorgteam, verantwoordelijk voor de zorg in de aanleunwoningen, op zijn zachtst gezegd diep geschokt was over deze klacht: zij hadden de volle overuiging dat ze er echt alles aan hadden gedaan om, ondanks de zich opstapelende problemen, de heer H. een zo aangenaam mogelijk verblijf te bieden. 

De verhalen stonden werkelijk haaks op elkaar. 

De heer H. was overigens een zeer tevreden en vriendelijke man die iedere ochtend zijn loop je had naar het restaurant om een kopje koffie te drinken. Onderweg stapte hij de verschillende kantoortjes binnen, ook de mijne, om degene die daar aan het werk was een "bijzonder mooie dag" te wensen. 

De heer H. bleek in toenemende mate te leiden aan dementie. Als gevolg hiervan werd hij incontinent, zowel van faeces als van urine. Deze incontinentie nam dermate vormen aan dat hij vrijwel de hele dag met vieze luiers liep. Luiers die hijzelf dan weer probeerde uit te pulken en die hij vervolgens overal verstopte. Het thuiszorgteam ging, tegen iedere indicatie in, steeds vaker bij de heer langs om hem nog even te verschonen. Dit was bij voorbaat natuurlijk een verloren race. 

Door alle complicaties door de incontinentie en toenemende verwardheid, voelden de beide dochters zich verplicht om dagelijks aanwezig te zijn en de werkzaamheden van de thuiszorgmedewerkers te bewaken. 

Ik verlaat nu de casus. 

Hij wordt door mij zo uitgebreid beschreven, omdat juist deze situatie voor mij de ogen openden. Ik realiseerde me dat de thuiszorg, als zorgvorm, voor deze meneer in het geheel niet aansloot op de zorgvraag. De man had geen behoefte aan een thuiszorgmedewerker die 2 keer per dag 10 minuten, op basis van een indcatie, een zorghandeling kwam verrichten. Deze man had permanent aandacht nodig: aandacht die zijn dochters hem waren gaan geven, maar die zij van onze medewerkers hadden verwacht. 

Een hoogbejaarde man die tevreden was met zijn leven in zijn appartement in ons complex. Natuurlijk realiseerden de zorgmedewerkers zich ook wel dat de man eigenlijk in een verpleeghuis thuishoorde (en de aanvraag was, na veel discussie met de kinderen, recent in gang gezet), maar je moet er toch eigenlijk ook weer niet aan denken dat deze man, op het laatste moment, nog een periode naar een verpleeghuis zou moeten worden overgebracht. Juist dit vooruitzicht maakte dat de thuiszorgmedewerkers steeds harder waren gaan lopen om de heer, buiten de indicatie om, te blijven helpen. 

Ik begon me te realiseren dat dergelijke situaties steeds meer voorkwamen in de aanleunwoningen en realiseerde me dat dit natuurlijk ook volkomen logisch was. De zorgzwaarte was nu eenmaal al jaren over de volle breedte aan het toenemen. Mensen die worden opgenomen op een verpleegafdeling, komen veelal binnen een jaar alweer te overlijden. Zo neemt ook de zorgzwaarte in het wooncomplex enorm toe. Het aantal mensen met geheugenproblemen, maar ook met psychiatrische problemen en chronische ziekten, is sterk gestegen. Het aantal mensen dat geheel zelfstandig woont, wordt ieder jaar kleiner. 

Enfin. 

Het heeft ertoe geleid dat we uiteindelijk tot het besluit zijn gekomen om te stoppen met het bieden van thuiszorg in onze wooncomplexen. In plaats hiervan zijn we overgegaan op het leveren van Volledig Pakket Thuis (VPT); een intramurale zorgvoorziening voor thuiswonende ouderen. 

Het thuiszorgteam wordt omgezet naar een intramuraal team. Zij moeten dus weer leren dat ze hele dag zorg en aandacht kunnen geven aan de bewoners met een VPT-indicatie; dat ze, behalve het 's ochtends helpen met het aantrekken van een kous, nu ook tijd hebben om (samen met de bewoner) nog even de afwas te doen die nog op het aanrecht in het appartement van de bewoner staat; dat er tijd is om met de groep bewoners gezamenlijk koffie te drinken en wellicht ook even samen de krant te lezen. Eigenlijk het werk dat verschillenden van hen deden toen ze nog werkzaam waren in het verzorgingshuis, maar dat we hen hebben afgeleerd omdat het thuiszorgregime efficiency en produktiviteit eisten. 

Dat is ook wel weer wennen. 

En toen we met deze nieuwe blik nog eens naar onze huidige bewoners in het wooncomplex keken, waren we verbaasd hoeveel van hen nu al gebruik konden maken van deze indicatie. 

Door de zorgkantoren wordt, zeker in het kader van de komende vergrijzing, sterk ingezet op VPT. En ja, het is zeker voor een deel van de ouderen een mooie oplossing om opname in het verpleeghuis te voorkomen. Eigenlijk herintroduceren we weer het oude verzorgingshuis, behalve dan dat de bewoners nu zelf hun huur van het appartement moeten betalen. Zeker omdat we in ons complex meerdere ruimtes hebben waar we ook groepsactiviteiten kunnen organiseren, past het allemaal prima. 

Nu nog iets bedenken voor al die ouderen in een eengezinswoning in de woonwijken. Wijken die nu reeds ernstig vergrijzen. Wijken met nauwelijks voorzieningen die hier op zijn ingericht. En een zorgvorm, thuiszorg, die ook hier snel haar grenzen zal hebben bereikt. 

En vergis je niet: er komen heel veel meneren H. aan ...

vrijdag 24 december 2021

Nieuwjaarswens



Dit jaar kregen onze medewerkers een boekje waarin Johan Vos, onze geestelijk verzorger zijn overdenkingen van het afgelopen jaar heeft gebundeld. Het was onze blijk van grote waardering voor hun enorme inzet het afgelopen jaar.

Het boekje begint met een stukje over de “Jeruzalema Challenge” en dat is niet voor niks.

Om het even in herinnering te brengen: eind 2020 werd er gedanst in onze instelling en ongetwijfeld ook in veel van jullie instellingen. Ondanks, of dankzij, de loodzware maanden waarin het covid-virus ons in zijn naargeestige greep had. Opeens was daar die dans en, ik blijf dit een wonder vinden, zo’n beetje iedereen deed mee. Een dans van hoop, een bevrijding, weliswaar tijdelijk, van de druk op de schouders. Er werd gestunteld, er werd op tafels gesprongen, er werd geklapt, er werd gedanst. Verzorgenden, schoonmakers, receptiemedewerkers, koks, bewoners, vrijwilligers en zelfs Erik Zwart deed mee.

We hebben allemaal behoefte aan die momenten dat we even adem kunnen halen. Ik prijs mij gelukkig met een geestelijk verzorger als Johan Vos, die ons bijna wekelijks in zijn stukjes een moment gunt van ademhalen, van reflectie.

Het boekje kunnen we niet delen, maar de overdenkingen staan ook op onze website: www.pcsoh.nl. En natuurlijk delen we de wens voor een ieder om een mooi jaar waarin we ook in staat blijven om ons soms even los te rukken van de waan van de dag en te genieten van wat er ook is.

dinsdag 14 december 2021

Verhalen van een zorgdominee in coronatijd

 


Het afgelopen jaar werd door mij onder de medewerkers een enquete uitgezet over of en hoe zij zich gesteund voelden gedurende alle COVID-ellende. We hebben, zoals in de meeste organisaties, bij iedere uitbraak een crisisteam actief; we publiceren dagelijks een update en voor de mantelzorgers wordt de website bijgehouden; we zorgen er vanuit het MT voor dat er dagelijks, ook in de weekeinden, MT-leden in de organisatie aanwezig zijn en, niet te vergeten, vrijwel iedere dag is er wel een klein presentje voor de medewerkers.

Zonder enig cynisme merk ik hier nu over op: al die genoemde zaken worden eigenlijk door de medewerkers als "normaal" ervaren. Er wordt niets anders verwacht dan dat ook vanuit het MT heel veel extra inzet wordt gegeven en dat door hen de crisis wordt "geregeld".

En wel beschouwd, zo is het natuurlijk ook. Als we zien wat er allemaal van onze medewerkers wordt gevraagd (waarbij ik de eerste ben die toegeeft dat we ook vragen hebben gesteld die we eigenlijk niet hadden mogen stellen, zoals nog een keer de vrije dagen opschuiven of toch ook nog maar die nachtdienst draaien na de avonddienst of ...), dan is het uiteraard volkomen vanzelfsprekend dat ook MT-leden vrije tijd inleveren en heel veel extra werk verzetten om samen uit de crisis te komen.

Maar als de vraag wordt gesteld waardoor men zich nu echt gedragen wist, dan is het antwoord niet zelden: de geestelijk verzorger.

Onze geestelijk verzorger is een bescheiden man. Hij kan heel goed bijna onopvallend aanwezig zijn. Hij kan heel goed observeren en aanvoelen. Hij kan heel goed luisteren. Hij kan er heel goed gewoon zijn.

Op de afdeling waar een uitbraak is, kan hij gewoon een paar uur in de huiskamer zitten en de aanwezige bewoners aan zich binden. In volledige bepakking: veiligheidsbril op, schort voor gebonden, handschoenen aan, mondmasker voor.

En op zondag zorgt hij ervoor dat op de website een stukje van hem wordt gepubliceerd. Een overdenking, een bemoediging, troost. Nooit een opgeheven vinger, nooit een preek. Een stukje geschreven, zoals hij doordeweeks op de afdeling aanwezig was: het was er gewoon.

Iemand kwam op het briljante idee deze stukjes te bundelen en in een boekje te doen verschijnen. Dat hebben we direct beetgepakt. Als extra steuntje en als blijk van waardering.

Werd het werk van het MT dan niet ervaren als "steun"? Zeker wel, maar in de context van samenwerken. Ieder levert hierin zijn deel en die samenwerking ging uitstekend en werd gewaardeerd. Alleen de geestelijk verzorger en de manier waarop hij zich naast de medewerkers opstelt, dat valt buiten deze context. Dat is iets extra's, maar wel iets extra's waar iedere medewerker echt behoefte aan heeft: aandacht.