vrijdag 24 december 2021

Nieuwjaarswens



Dit jaar kregen onze medewerkers een boekje waarin Johan Vos, onze geestelijk verzorger zijn overdenkingen van het afgelopen jaar heeft gebundeld. Het was onze blijk van grote waardering voor hun enorme inzet het afgelopen jaar.

Het boekje begint met een stukje over de “Jeruzalema Challenge” en dat is niet voor niks.

Om het even in herinnering te brengen: eind 2020 werd er gedanst in onze instelling en ongetwijfeld ook in veel van jullie instellingen. Ondanks, of dankzij, de loodzware maanden waarin het covid-virus ons in zijn naargeestige greep had. Opeens was daar die dans en, ik blijf dit een wonder vinden, zo’n beetje iedereen deed mee. Een dans van hoop, een bevrijding, weliswaar tijdelijk, van de druk op de schouders. Er werd gestunteld, er werd op tafels gesprongen, er werd geklapt, er werd gedanst. Verzorgenden, schoonmakers, receptiemedewerkers, koks, bewoners, vrijwilligers en zelfs Erik Zwart deed mee.

We hebben allemaal behoefte aan die momenten dat we even adem kunnen halen. Ik prijs mij gelukkig met een geestelijk verzorger als Johan Vos, die ons bijna wekelijks in zijn stukjes een moment gunt van ademhalen, van reflectie.

Het boekje kunnen we niet delen, maar de overdenkingen staan ook op onze website: www.pcsoh.nl. En natuurlijk delen we de wens voor een ieder om een mooi jaar waarin we ook in staat blijven om ons soms even los te rukken van de waan van de dag en te genieten van wat er ook is.

dinsdag 14 december 2021

Verhalen van een zorgdominee in coronatijd

 


Het afgelopen jaar werd door mij onder de medewerkers een enquete uitgezet over of en hoe zij zich gesteund voelden gedurende alle COVID-ellende. We hebben, zoals in de meeste organisaties, bij iedere uitbraak een crisisteam actief; we publiceren dagelijks een update en voor de mantelzorgers wordt de website bijgehouden; we zorgen er vanuit het MT voor dat er dagelijks, ook in de weekeinden, MT-leden in de organisatie aanwezig zijn en, niet te vergeten, vrijwel iedere dag is er wel een klein presentje voor de medewerkers.

Zonder enig cynisme merk ik hier nu over op: al die genoemde zaken worden eigenlijk door de medewerkers als "normaal" ervaren. Er wordt niets anders verwacht dan dat ook vanuit het MT heel veel extra inzet wordt gegeven en dat door hen de crisis wordt "geregeld".

En wel beschouwd, zo is het natuurlijk ook. Als we zien wat er allemaal van onze medewerkers wordt gevraagd (waarbij ik de eerste ben die toegeeft dat we ook vragen hebben gesteld die we eigenlijk niet hadden mogen stellen, zoals nog een keer de vrije dagen opschuiven of toch ook nog maar die nachtdienst draaien na de avonddienst of ...), dan is het uiteraard volkomen vanzelfsprekend dat ook MT-leden vrije tijd inleveren en heel veel extra werk verzetten om samen uit de crisis te komen.

Maar als de vraag wordt gesteld waardoor men zich nu echt gedragen wist, dan is het antwoord niet zelden: de geestelijk verzorger.

Onze geestelijk verzorger is een bescheiden man. Hij kan heel goed bijna onopvallend aanwezig zijn. Hij kan heel goed observeren en aanvoelen. Hij kan heel goed luisteren. Hij kan er heel goed gewoon zijn.

Op de afdeling waar een uitbraak is, kan hij gewoon een paar uur in de huiskamer zitten en de aanwezige bewoners aan zich binden. In volledige bepakking: veiligheidsbril op, schort voor gebonden, handschoenen aan, mondmasker voor.

En op zondag zorgt hij ervoor dat op de website een stukje van hem wordt gepubliceerd. Een overdenking, een bemoediging, troost. Nooit een opgeheven vinger, nooit een preek. Een stukje geschreven, zoals hij doordeweeks op de afdeling aanwezig was: het was er gewoon.

Iemand kwam op het briljante idee deze stukjes te bundelen en in een boekje te doen verschijnen. Dat hebben we direct beetgepakt. Als extra steuntje en als blijk van waardering.

Werd het werk van het MT dan niet ervaren als "steun"? Zeker wel, maar in de context van samenwerken. Ieder levert hierin zijn deel en die samenwerking ging uitstekend en werd gewaardeerd. Alleen de geestelijk verzorger en de manier waarop hij zich naast de medewerkers opstelt, dat valt buiten deze context. Dat is iets extra's, maar wel iets extra's waar iedere medewerker echt behoefte aan heeft: aandacht.


zaterdag 18 september 2021

De droom en de daad.



Afgelopen week zijn we er weer veelvuldig mee geconfronteerd: cultuur. Bij het aftreden van minister Kaag en het aanvankelijk aanblijven van minister Bijleveld, werd de grens getrokken tussen de "nieuwe" en "oude" bestuurscultuur. 

Alsof je met een lineaal een strakke lijn tussen het ene en het andere begrip kan trekken. Zo wordt de wereld natuurlijk ook erg overzichtelijk en dat vinden we blijkbaar prettig. 

Maar iedereen die zich iets verder in dit soort processen verdiept, weet ook dat de werkelijkheid vele malen weerbarstiger is. We zijn allen een verwarrende mix van oud en nieuw, waarbij de één iets harder de boodschap van vernieuwing uitdraagt en de ander het liever allemaal bij het oude laat (en dan opeens toch heel vernieuwend uit de hoek kan komen).

Afgelopen week bezocht ik een zorgboerderij waar een groep bewoners van één van onze verpleeginrichtingen, rondliep. Een initiatief dat van begin af aan helemaal is voortgekomen uit enkelen van de werkvloer zelf. Er is geen stafmedewerker, geen manager en geen bestuurder aan te pas gekomen. Het was hun idee en ze hebben het zelf handen en voeten gegeven.

Het heeft enkele maanden voorbereiding gekost, maar nu liepen ze hier dan rond. Tussen de kippen, de varkens, de geiten en door de moestuin. Het mooie is, vele van onze bewoners zijn zelf boer of boerin geweest of zijn op de boerderij opgegroeid. De omgeving past hen dus als een oude jas. En zo liepen ze er ook bij: glimmend, vol aandacht en vol verhalen. 

De medewerkers werden volop geholpen door de kinderen (meestal de dochters) van deze bewoners. Glimlachend, genietend en als vanzelfsprekend aanwezig om te ondersteunen.

Maar nu moet het verder, want de initiatiefnemers willen dat deze wijze van werken (met bewoners naar de boerderij) door alle collega's wordt gedragen, zodat het onderdeel wordt van onze routine.

Dit is de spannende uitdaging: lukt het om de andere afdelingen ook mee te krijgen en de organisatie rond te maken. Lukt het om deze beweging van onderaf tot een brede beweging te maken, als een steen die in het water gegooid steeds bredere kringen veroorzaakt? Lukt het ons als organisatie om dit te integreren in ons DNA, zodat het een vanzelfsprekendheid wordt?

Dan bedoel ik nog niet eens de gang naar de zorgboerderij (hoe geweldig ook), maar het werken vanuit het standpunt van onze bewoners? Het bedenken wat voor hen zinvol is als resultaat van dialoog met bewoner en familie?

Dat heeft niets te maken met "oude" of "nieuwe" cultuur, maar werken vanuit het standpunt dat hierin belangrijk is: de bewoner. Het centraal zetten van die ander, die van jou afhankelijk is. 

Compassie.

Zou dat in Den Haag helpen? Om los te komen van die discussie over "oud" en "nieuw", maar in plaats hiervan dat te doen waar politiek voor bedoeld is: de burger centraal te stellen? En dan met name, die kwetsbare burger?

Zou compassie helpen?


vrijdag 27 augustus 2021

Polarisatie

 


Ergens de afgelopen maanden, sprak ik via de telefoon een medewerker die mij vertelde dat hij positief getest was. Hij had corona. Gelukkig vielen de verschijnselen mee, maar de vermoeidheid plaagde evenals het binnen moeten blijven door de verplichte quarantaine. Ik vroeg hem of hij zich had laten vaccineren en dat bleek niet het geval te zijn. 

Ik vind daar wel wat van: we werken nu eenmaal in onze verpleeghuizen met de meest kwetsbare mensen, ook als het om corona gaat.

Dat ervan vinden, daar sta ik niet alleen in. Om mij heen: in de krant, social media de televisie, de radio, overal hoor, zie, lees ik mensen die er iets van vinden. Er zijn natuurlijk voor- en tegenstanders en allemaal hebben ze zo hun argumenten. 

Dat is niet verwonderlijk.

Wat mij verbaasd is dat we, ook in deze discussie, terecht lijken te komen in een onverbiddelijke en absolute tweedeling, waarbij de onderlinge argumenten, toch bedoeld om het gesprek te initiëren, werken als bouwstenen van een nieuw soort ijzeren gordijn met aan beide zijden verbitterde ideologieën. 

Waar of niet waar.

Eens of niet eens.

Zwart of wit.

Zo keek ik afgelopen week ook met enige verbijstering naar de demonstranten in Harskamp en hun meedogenloze oproep om maar weer concentratiekampen te openen; zacht sussend goedgemompeld door oudere dorpsbewoners die spraken over dorpsjongeren die niet goed wisten wat ze zeiden. Maar die ondertussen wel keihard het gevecht aangingen. 

Op allerlei plekken zie ik vergelijkbare vormen van polarisatie binnensluipen. En daarmee zie ik ook overal potentiele conflictbronnen ontstaan. Een samenleving die steeds meer in zichzelf gekeerd raakt en overal breuklijnen van een conflict in zich draagt.

Stikstof.

Boeren.

Schiphol.

Woningnood.

Onbetaalbare huren.

Vrijheid.

Corona.

Schulden.

Vluchtelingen.

Ooit begeleidde ik, als jonge verpleegkundige, een echtpaar waarvan de vrouw met enige regelmaat psychotisch werd en dan zeer angstig was. In de gesprekken ontdekte ik dat er werkelijk geen onderwerp te bedenken was, waar het paar onderling niet de strijd over aanging. Alles werd tot op het bot uitgevochten en dit leverde steeds weer in ieder geval één verliezer op. Meestal de vrouw die aan dit patroon ontsnapte door psychotisch te worden. Op dat moment werd de man zorgzaam en bereid tot concessies. 

Wat wil ik hier nu mee zeggen?

Als we niet bereid zijn om het gesprek met elkaar aan te gaan, waarbij we elkaar in elkaars waarde laten, dan kan het wel eens zo zijn dat we terecht gaan komen in ziekmakende patronen. Dan gaan we die ander bestrijden, uitsluiten en komt zelfs de oproep voor concentratiekampen en, we kunnen erop wachten, de sterke leider.

Laten we zelf sterk zijn en argumenten gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld: om het gesprek aan te gaan. Te luisteren. Proberen te begrijpen. 

Is het zo simpel?

Ik ben bang van wel.

Nu nog even doen.



maandag 26 juli 2021

Mag ik u voorstellen: het executive committee

 



Echt, ik probeer het te begrijpen.

Tekst: "VGZ benoemt chief people and sustainabiliy officer". Het werd nog fraaier, want, zo meldde de schrijver ons enthousiast, het executive committee, was nu compleet. Er waren immers al een CEO, een chief finance and risk, een chief transformation and information en een chief health officer...

De gelukkige die de rol van chief people and sustainability officer had verworven, was al eerder binnen de organisatie clusterleider "moeite met betalen".

Ik wil helemaal niets afdoen aan de, ongetwijfeld ruim beschikbare kwaliteiten van de verschillende personen in het leidinggevend kader van VGZ. Ik vraag me echter wel af voor wie een organisatie wordt ingericht. We hebben het hier over een verzekeringsbedrijf.

Ooit ontstonden de rudimentaire verzekeringsbedrijven doordat een aantal slimme individuen bedachten dat ze als individu of bedrijf minder risico liepen wanneer ze de risico's gezamenlijk op zich zouden nemen. De gedachte was simpel: omdat niet iedereen voortdurend en dezelfde ellende voor zijn of haar kiezen kreeg, kon je gezamenlijk de kosten voor zo'n individu dragen. Door het samen te doen, hielp je elkaar en voorkwam je voor jezelf onoverkomelijke ellende. Zo ontstonden de boerencoöperaties, banken en ook verzekeringen. Meestal lokaal en er kwamen enkele notabelen uit het dorp in het bestuur en, voilà, de gemeenschap kon weer vooruit: men kon investeren en grote(re) projecten aanpakken. 

Want je deed het samen.

Natuurlijk is dit beeld te kort door de bocht en valt er van alles op af te dingen, maar volgens mij klopt de grote lijn wel.

Banken groeiden en moesten, om de steeds grotere risico's te kunnen dragen, ook steeds meer opgaan in andere banken. Tenslotte waren dit nationale of zelfs in toenemende mate internationale bedrijven. Idem dito met de verzekeraars. En met de groei van deze bedrijven, ontstond geleidelijk ook steeds meer een andere doelstelling: het bedrijf zelf.... 

Daar is overigens niets verkeerd aan: iedereen heeft er belang bij als een bedrijf op een gezonde manier overleeft. Alleen, soms lijkt dit belangrijker te worden dan die eerste doelstelling: de (individuele) klant...

Dan heet het dat een bedrijf in zichzelf is gekeerd....

Ooit maakte het ziekenhuis waar ik werkte, een reorganisatie door. En opeens heetten de afdelingshoofden (of hoofdverpleegkundigen) ... werkplekmanager. Een slimme naam die precies paste in de nieuwe opzet van de organisatie.

Maar...

de patiënten en huisartsen bleven vragen naar het afdelingshoofd of de hoofdzuster...

We hebben drie jaar lang geprobeerd om het uit te leggen. Toen werden ze weer afdelingshoofd.

Begrijpt de gemiddelde klant van een zorgverzekeraar wat een "chief people and sustainability" of een "chief transformation and information" is en wat zij betekenen voor zijn polis bij deze verzekeraar?

Ik denk het niet.

Misschien moeten ze toch maar hoofd P&O en hoofd communicatie worden genoemd.

Maar wat nu een chief health officer doet? 

Is dat de bedrijfsarts?

maandag 5 juli 2021

Een eenvoudige schop


 

Ik wil u vragen om het afgebeelde voorwerp goed in u op te nemen. Het is namelijk een schop, een bijzondere uit de 19e eeuw. Inderdaad, geheel van hout.

Nu wil ik dat u uw ogen sluit nadat u de volgende alinea heeft gelezen:

Stel u voor: een eindeloze, modderige vlakte. Blubber en waterplassen zover het oog reikt, of je nu naar voren, naar links of naar rechts kijkt. Er lijkt geen einde aan te komen. Geen bomen, struiken, bebouwing, niets. Helemaal niets. Er heerst een stevige grondlucht en het enige dat je hoort is windgeruis en wellicht gezoem van muggen. Het is warm, het is wat heiig en de atmosfeer is ongekend vochtig.

….

Het is het beeld van de net droog gelegde Haarlemmermeer. Het is 1 juli 1852. De 3 enorme stoomgemalen vielen stil nadat ze ruim 3 jaar onafgebroken de waterplas, die zich uitstrekte van Leiden naar Haarlem en Amsterdam, hadden leeggezogen. Het immense meer had de bewoners aan de oevers eeuwenlang bedreigd: ze werd dan ook wel de waterwolf genoemd, beetje bij beetje (en soms heel veel beetjes) snoepte ze meer walkant af en werd het meer groter en groter. Uiteindelijk dreigde zelfs een doorbraak naar het IJ (een water dat zich in die tijd van Amsterdam naar Beverwijk uitstrekte), waardoor Amsterdam direct bedreigd werd door al dat water. Er moest dus wat gebeuren en het besluit werd genomen om de Haarlemmermeer droog te malen. Een plan waar al sinds de 17e eeuw over werd nagedacht, maar waar de techniek nu dan ook geschikt voor was.

En nu was het dan gebeurt. Het meeste water was weg en eindeloos nieuw land strekte zich voor de ogen van degenen die op de ringdijk stonden uit. Het land was onbruikbaar: te waterig, te modderig en daardoor te ruig.

We komen bij de schop van de afbeelding.

Een grote groep mannen, gezien de tijd zullen het alleen mannen zijn geweest, stond klaar op de ringdijk en ze kregen deze schop in hun handen gedrukt.

Er moesten namelijk afwateringskanalen worden gegraven. Om te beginnen een vaart die de Hoofdvaart genoemd zou gaan worden: deze loopt van gemaal Lynden (in het zuiden) naar gemaal Leeghwater (in het noorden). De vrijwel kaarsrechte vaart werd 2,5 meter diep en 20 kilometer lang.

Uitgegraven door mannen met een houten schop, zoals deze en eenvoudige kruiwagens met houten wielen, om de modder af te voeren.

Na de hoofdvaart volgden vele aftakkingen door de hele Haarlemmermeer, zodat het water steeds kon worden afgevoerd door de drie stoomgemalen aan de ringvaart. We kijken er niet eens meer naar, maar iedere vaart en heel veel sloten zijn uitgegraven door mannen met behulp van deze schop en kruiwagens. Meter voor meter, schop modder voor schop modder, volle kruiwagen voor volle kruiwagen…Bedenk daar ook nog eens bij dat het voortduwen van een kruiwagen (met houten wiel) door de modder alleen lukt als er een smalle, houten plank was neergelegd. Het was een krachttoer, naast een vorm van evenwichtskunst.

De schop hangt nu bij ons aan de muur van de belevingstuin van zorgcentrum Horizon in Hoofddorp, midden in de Haarlemmermeer, samen met allerlei gereedschappen die door de boeren in de Haarlemmermeer werden gebruikt.

Beschouw het maar als een ode aan die mannen waarvan niemand de namen meer kent.

vrijdag 2 juli 2021

Kop van Jut



Eén van de eerste dingen die ik heb geleerd op een mediatraining is altijd ALTIJD om inzage te vragen in het artikel dat gaat worden gepubliceerd of om het inzien van de opname die zal worden gebruikt voor uitzending. 

Ik ben niet beroemd of berucht en maar zelden onderwerp van belangstelling van het journaille en toch is bovenstaande vraag nooit een probleem geweest. En ja, er konden correcties worden uitgevoerd, waarbij de journalist wel zijn of haar journalistieke vrijheid wenste te behouden. 

Afgelopen week heeft het mannenbolwerk "Geen Stijl" haar nieuwe kop van Jut: Sigrid Kaag voor de leeuwen gegooid met onthullingen over een documentaire die van de D'66 voorvrouw is gemaakt tijdens de verkiezingen. En ja, natuurlijk dook de tweelingbroer van Geen Stijl, de Telegraaf, hier bovenop en vervolgens rolde zo ongeveer het complete journaille van zowel radio, televisie als papier in deze komkommertsunami mee.

Kaag haar kop moet rollen en de aanvallen zijn ongekend en fel.

Ik walg ervan.

Bevreesd duikt iedereen die tegenwicht zou kunnen bieden weg en vervolgens zit ik avondenlang te kijken naar een discussie over een gordel die tijdens een opname van een autorit niet werd gedragen. En verrek, iedereen vindt hier dan ook weer wat van.

Wat is er toch aan de hand in ons land? Er is een politica, nogmaals niet van mijn partij, die verstandige dingen zegt, die oproept tot matiging in de maar voortdurende polarisatie van kleingeestige meningen en ja hoor, bakken met vuil krijgt ze over zich heen gestort. Tot in de kamer toe, waar ze, je gelooft gewoon je oren niet, doodleuk wordt beschuldigd een soort terroristenvriendin te zijn. En een kamervoorzitter die weigert in te grijpen.

Lieve lezers, er was één (EEN!) politica, ook weer niet mijn partij, die het lef opbracht het debat te verlaten omdat ze onder deze condities niet verder wenste te gaan.

Het is niet nieuw dat GeenStijl en de Telegraaf linkse, moedige vrouwelijke politica op ongehoorde wijze de modder in proberen te trappen: Femke Halsema weet hier alles van, maar wat mij echt verbaasd is de laffe, kleingeestige meepraterij van werkelijk alles wat zich journalist noemt: links, rechts, van het midden. Tjongejonge, jongejonge, ons land schudt op zijn grondvesten:

Dat het verzoek is gedaan om de naam van een kamerlid die door een gefrustreerde Kaag wordt bespot, in de documentaire wordt weggelaten (omwille van de verhoudingen); dat beelden van het drinken van champagne worden weggelaten. Niet omdat Kaag stomdronken voor de camera staat, maar omdat het wellicht, mogelijk een verkeerd beeld zou kunnen geven.

Het zijn nogal wereldschokkende onthullingen.

Dat hier wellicht, vanuit journalistieke spelregels, zaken soms minder scherp zijn gehouden dan misschien had gemoeten, laat dat vooral een discussie zijn tussen de redactie, de betreffende documentairemaker en een paar journalisten. Wijdt op pagina 12 van de krant een paar regels aan deze discussie. Maar hou op net te doen of onze parlementaire democratie door deze documentaire op instorten is komen te staan. Laten we ophouden om op alles wat Kaag doet en zegt een vergrootglas te leggen die in geen enkele verhouding staat tot de werkelijkheid. Laten we toch eindelijk eens accepteren dat ook vrouwen in de politiek een belangrijke rol kunnen spelen en zelfs mogelijk minister president zouden kunnen worden. Laten we toch eens ophouden te denken dat hoge bomen veel wind vangen en daarom maar moeten accepteren dat het geoorloofd is om hen zonder enige gene op de huid te zitten. 

Laten we toch eens beginnen om een beetje vriendelijk te zijn voor elkaar. 

woensdag 23 juni 2021

Stalker

                             


Afgelopen week was ik in een telefonisch overleg met de financiële man van onze organisatie. Tijdens het gesprek werd ik gebeld door een mij onbekend nummer in Nieuw Vennep. Ik drukte het gesprek weg en vervolgde mijn overleg. Nog geen 30 seconden later werd ik opnieuw gebeld door hetzelfde nummer, welke ik opnieuw wegdrukte. Dit herhaalde zich vier keer, zodat ik mijn overleg even afbrak om te horen waarom ik zo nadrukkelijk en steeds opnieuw werd benaderd.

Het bleek mevrouw Laurens en zij verontschuldigde zich. Ze was in de veronderstelling haar vriendin te bellen en blijkbaar was er iets niet goed gegaan. 

Dat kan gebeuren.

Nog geen uur later werd ik opnieuw gebeld door dezelfde mw. Laurens. Ik zat opnieuw in overleg en het gesprek werd door mij weer geweigerd. Mw. Laurens is een volhouder, dus ook deze keer benaderde ze mij 5 keer achter elkaar. Wederom brak ik het overleg af en stond ik mw. Laurens te woord.

Mw. Laurens haar stem klonk bejaard. Hoog bejaard. Ze gaf opnieuw de uitleg dat ze haar vriendin probeerde te bellen. Ik vroeg haar welk nummer deze vriendin had, maar dat bleek een domme vraag: het nummer dat ze had geprobeerd te bellen natuurlijk. Voorzichtig probeerde ik uit te leggen dat hier iets onmogelijks gebeurde: als dit nummer van haar vriendin was, dan zou ze mij niet aan de lijn krijgen. Maar de wereld van de techniek zat voor mw. Laurens niet zo logisch in elkaar: het nummer zou wel kloppen, maar de verbinding niet.

Ze bood haar excuses aan en ze verbrak de verbinding.

De verdere dag liet mw. Laurens mij met rust.

Dat veranderde de volgende dag.

Hoe ze het voor elkaar krijgt is mij een raadsel, maar opnieuw zat ik in overleg. Inmiddels herkende ik het nummer en ik weigerde het gesprek. Mw. Laurens is een volhouder en nog geen minuut later meldde ze zich weer. Al pratende met mijn gesprekspartner zoefde mijn vingers over het display van mijn telefoon en blokkeerde ik het nummer van mw. Laurens.

Dat scheelde.

Wel kreeg ik nu 6 keer de melding dat ik een voicemailbericht had.

Mw. Laurens.

Geen enkele keer sprak ze iets in, maar aan haar gezucht te horen was ze diep ongelukkig met de vergeefse poging haar vriendin te spreken te krijgen.

Ik liet het maar even gaan in de veronderstelling dat mw. Laurens vanzelf wel zou ophouden om mijn nummer te draaien.

Dat was dom van mij gedacht.

Dagelijks rond 11.00 uur 's ochtends begon mw. Laurens aan een nieuwe poging haar vriendin te bellen. Dit herhaalde ze steeds vijf keer achter elkaar en steeds wachtte ze totdat ze de voicemail hoorde. Ik begreep nu ook waarom ze deze niet insprak: het bericht waarmee ik mijn voicemail inleid, maakt de beller duidelijk dat ze Erik Zwart hebben bereikt.

Steeds werd de verbinding verbroken met een diepe zucht van mw. Laurens.

Na vijf dagen had ik er genoeg van. 

Nu belde ik mw. Laurens.

Schuldbewust nam ze de telefoon aan. Ze wist waarom ik belde, bekende ze. Verbaasd vroeg ik haar waarom ze zo halsstarrig mijn nummer bleef draaien, tot vijf keer per dag toe, terwijl ze steeds opnieuw tijdens de voicemail te horen kreeg dat ze verkeerd verbonden was.

"Omdat ik dit nummer van mijn vriendin heb gekregen..."

"Maar wanneer begrijpt u dat het een verkeerd nummer is dat uw vriendin heeft opgegeven?"

Daar gaf ze geen antwoord op. Ze begon me uit te leggen dat ze het echt niet deed om mij te pesten. Ik vertelde dat ik dit direct van haar wilde aannemen, maar als iemand vijf dagen achter elkaar minstens vijf keer op een dag belt, dan begint het toch op pesten te lijken...

Die begreep ze niet.

Op de achtergrond hoorde ik andere stemmen. Ze had visite, legde mw. Laurens uit. Ik vroeg of dit toevallig die ene vriendin was, maar dat bleek helaas niet het geval. Ze wilde wel van mij af want ja, visite...

Ze beloofde plechtig mij niet meer te zullen bellen. 

Ik geloof haar.

Nog geen uur later kreeg ik een waarschuwing dat iemand mijn voicemail had ingesproken.

Mw. Laurens.

Een diepe zucht.

Ik vrees dat mw. Laurens en ik ongewild samen verder door het leven zullen gaan.

zaterdag 20 maart 2021

Waarom ik op Sigrid Kaag heb gestemd

 


 

Ik ben niet zo'n enorme liefhebber van D'66. Het gemak waarmee het door deze partij zelf zo gewenste bindend referendum, mede door haar toedoen, weer werd afgeschaft; zoals al verschillende jaren geleden ook de mogelijkheid tot een lokaal referendum bij een burgemeesterbenoeming naar de prullenbak werd verwezen.... en dat voor een partij die nu juist is opgericht om tot politieke vernieuwing te komen. Het komt allemaal wat bevreemdend op mij over. Ook haar wat drammerige toon in het debat over het voltooid leven en de snelheid die ze hierbij wenst om de mogelijkheid in wetgeving vast te leggen, in weerwil van de waarschuwende geluiden van vele deskundigen (ook van D'66 huize), het heeft mij regelmatig de wenkbrauwen doen fronsen.

En toch stemde ik bij de laatste verkiezingen op D'66.

Om preciezer te zijn: ik stemde op Sigrid Kaag.

Ik ben één van die mensen die zich werkelijk schaamt dat ons land nog steeds niet een vrouwelijke minister president heeft gekend. Het is werkelijk te belachelijk voor woorden dat wij blijkbaar een cultuur handhaven waarbij vrouwen geen vanzelfsprekende kandidaten kunnen zijn naast de mannelijke.

Dat een vrouw wordt beoordeeld op een, blijkbaar, wat duurdere jurk die ze draagt en ik nog nooit een commentaar heb gehoord op de maatpakken van de heren. 

Duidelijk ook geen C&A-tjes.

Dat een vrouw zich moet laten welgevallen dat zij op social media kan worden uitgemaakt voor alles wat smerig, lelijk en afstotend is, omdat ze voor de troepen durft te gaan staan en haar mening geeft.

Dat de meeste vrouwen die dergelijke drek over zich heen krijgen, door schade en schande wijs geworden, inmiddels het zwijgen er maar toe doen.

En Kaag, tegen deze mores in, het gewoon aan ons bekend maakte. En ik verbijsterd hoorde wat ze allemaal over zich heen had gekregen.

Maar het kantelpunt voor mij kwam in een debat met Geert Wilders, waarin hij Kaag verwijt dat ze, door een hoofddoek te dragen tijdens een bezoek als minister van Buitenlandse Zaken aan Iran. Iets waar ze door de wetgeving van dat land toe wordt gedwongen (en anders was ze het land niet eens in gekomen). Een debat waarin hij haar meerdere keren "verrader" toefluistert omdat ze hiermee het belang van de Iraanse vrouwen zou hebben ondergraven.

Nog even los van het gegeven dat dit wel een erg goedkope truc was, gooit hij een bak modder over deze vrouw heen die juist door haar diplomatieke talenten in deze gebiedsdelen het grootste respect verdient. 

Zij gooide overigens niet met modder terug. 

Een vrouw die weet hoe het is om te worden klein gemaakt; in een hoek geduwd; uitgescholden te worden. En dan toch bereid is om op te komen voor Nederland en haar democratische uitgangspunten.

Ik heb op Sigrid Kaag gestemd.

En ja, ze mag van mij vol blijdschap op tafel dansen als meer mensen er zo over hebben gedacht.

Want ook hier waren het de mannen die hun zurige commentaar alweer klaar hadden.

vrijdag 12 februari 2021

Patient centraal!

 

In 1994 werd ik benoemd tot divisiemanager in het Groene Hart ziekenhuis en daarmee maakte ik de stap naar de directie van het ziekenhuis. Het was indertijd een gok: ik was opgeleid als verpleegkundige en altijd werkzaam geweest in de psychiatrische hulpverlening. Sinds enige jaren was ik afdelingshoofd van de afdeling psychiatrie (PAAZ) in het ziekenhuis. Ik had een aanvullende opleiding voor teamleider gevolgd en dat was het. 

Nou ja, er liep een interimbestuurder rond, Paul Sturkenboom, die de hele boel op zijn kop had gezet (zijn werk werd ook "kantelen" genoemd) en mij blijkbaar wel zag zitten.

Er werden geen zoete broodjes gebakken. Ik was nog geen week in functie toen ik bij hem werd geroepen en hij mij een geweldige donderpreek gaf: ik was (vloek) een duurbetaalde kracht en (vloek) waar bleek dit dan uit? Wanneer ging ik (vloek) eens wat doen?

Resultaatgericht werken, werd het nieuwe motto van het ziekenhuisbestuur. En ook, afrekenen op die resultaten want de tijd van vriendelijk polderen was voorbij. Ik herinner me nog hoe het ging als we een directievergadering hadden: de ochtend hieraan voorafgaand liep Paul mopperend en soms briesend door de gouden gang (hier zaten alle directieleden). Je hoorde hoe hij soms een deur inging en even later knalde die deur weer dicht en vervolgde hij zijn tirade, welke meestal onverstaanbaar was. Als het overleg begon, met aanwezigheid van de doktoren uit het medisch college, stond iedereen op scherp.

O ja, het waren allemaal mannen aan tafel.

O ja, door Paul Sturkenboom werd gerookt gedurende de vergadering.

Niemand die er iets van zei.

Het was een masculiene groep en daadkracht en doorpakken waren wel de belangrijke kernwoorden.

Ik moest in ieder geval voortaan in pak met stropdas op mijn werk verschijnen.

De begroting was een verhaal apart. Altijd gedonder tussen de snijdende en beschouwende vakken, altijd gedoe omdat de neurologen zich onbegrepen voelden in dit specialistengeweld. Het ging om grote investeringen en flinke belangen en iedere maatschap probeerde er steeds opnieuw, in wisselende fracties,  het beste voor hen eruit te slepen. Het was politiek pur sang. En de harde eis vanuit het bestuur was: je stopt pas als er een sluitende begroting ligt. En dus werd het nachtwerk en soms zelfs zagen we de zon opnieuw opkomen.

En natuurlijk moest ik opgeleid worden: het werd een bedrijfskundige opleiding en stopte ik mijn studie verplegingswetenschappen.

Management werd voor mij een wereld van actieplannen, targets, "resultaat onder aan de streep", marktoriëntaties en strategie tov concurrerende ziekenhuizen. Alles was haalbaar, als je je maar genoeg inzette.

O ja, er waren ook nog patiënten en medewerkers.

Die zag of sprak ik zelden.

Nou ja, als het eens helemaal misliep...

In die zelfde periode was er een gynaecoloog, een vrouw, die een groep fotografen het ziekenhuis in haalde. Zij liepen door het hele gebouw en het enige wat ze deden was het fotograferen (met verborgen camera) van het ziekenhuispersoneel dat ze tegenkwamen. Het resultaat liet ze ons, bestuur en directie, zien in een diareeks die zonder geluid en commentaar werd afgespeeld. Niemand maar dan ook werkelijk niemand keek de passerende bezoeker aan....

Het leverde vast een nieuw actieplan op.

Gister was ik, na 20 jaar, weer eens als bezoeker in het ziekenhuis. Door de aangebouwde nieuwbouw is het pand een voor mij onherkenbaar doolhof geworden. Ik dwaalde dus wat rond en opeens viel het mij op: niemand van de (vele) medewerkers onderweg, keek mij aan of vroeg me of ze konden helpen. Gelukkig kwam ik een kennis tegen die in het ziekenhuis werkt: zij wees mij de weg.

zaterdag 2 januari 2021

En toen werd de witte jas aangetrokken ...


Een gewaardeerde collega-bestuurder schreef op Linked-in:

"Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Kuipers, Gommers, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen, Ziekenhuizen ........................................................................................................................ 

oh ja, er werken ook mensen in de verpleeghuizen, thuiszorg, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg."

Dit naar aanleiding van de actie door Gommers en Kuipers om het vaccinatieprogramma, aanvankelijk opgezet om eerst de meest kwetsbaren en degenen die hen verzorgen, de mensen uit de verpleeghuizen dus, te beschermen, om te buigen naar een voorrangsbehandeling voor de medewerkers van de ziekenhuizen. Het argument is natuurlijk duidelijk: door de enorme golf van nieuwe corona-opnames en een oplopend ziekteverzuim bij de ziekenhuismedewerkers die bovendien ook nog eens doodmoe zijn van een jaar vrijwel onafgebroken extra diensten draaien met steeds minder mensen, dreigen de ziekenhuizen overbelast te raken. 

Dat moet worden doorbroken, zodat we de golf die er nog steeds aan zit te komen (Gommers dreigt bij voortduring met de Engelse variant, waarschijnlijk niet ten onrechte), nog enigszins te kunnen opvangen.

De trieste werkelijkheid is echter dat al deze argumenten net zo hard gelden voor de meeste andere sectoren in de zorg. Als verpleeghuisbestuurder ben ik met velen al maanden vrijwel onafgebroken bezig om onze beide huizen overeind te houden en waar mogelijk extra handen aan te trekken omdat de medewerkers moe zijn, ziek zijn en het gewoon zat zijn. Al weken krijgen we (gewaardeerde) hulp van het Rode Kruis.

En dan is het gewoon zuur om deze beide heren, domweg omdat ze acteren in de nieuwsmedia en domweg omdat ze (met recht) gewaardeerd worden om hun genuanceerde meningen, uiteindelijk de witte jas aan te zien trekken en voor de gretige camera's verklaren dat de ziekenhuizen nu toch echt voorrang verdienen. Het is toch ook weer een beetje "eigen volk eerst".

Hebben ze dan ongelijk? Nee, de nood is hoog en we hebben alle rede om ons ernstig zorgen te maken over de grote belasting van de zorg: ziekenhuizen, verpleeghuizen, GGZ-instellingen, instellingen voor verstandelijk gehandicapten, thuiszorg en ga zo maar door. Op al die plaatsen waar mensen geconcentreerd samen verblijven omdat ze zorg nodig hebben, is de nood hoog. Overal eist het COVID-virus haar zware tol en overal dreigt overbelasting. Dus, nee, de heren hebben geen ongelijk, maar misbruiken hun verworven positie en de altijd al stevige lobby van de ziekenhuizen in Den Haag nu wel om hun eigen sector in één ruk naar voren te duwen. 

De minister heeft alweer een relativerend excuus bedacht: het is een kleine zijstap. Hij vergeet erbij te vermelden dat hij onder de druk bezweken is want ook de oppositie in de kamer ruikt weer kansen.

Er is, door de schaarste aan vaccins en de hoge nood in alle delen van ons land, nooit een goede oplossing te bedenken. Bij iedere keuze die voor een sector wordt gemaakt, is een ander min of meer de pineut. Maar om dan weer terug te keren naar een oplossing van het recht van de sterkste?

Pleit ik dan voor een voorkeursbehandeling voor de verpleeghuizen? Zeker niet. Maar het zou zoveel helpen als we minder vanuit de traditionele machtsblokken denken en meer handelen over de sectoren heen. Om de handen ineen te slaan om samen te werken aan oplossingen. 

Ik weet het zeker, iedere sector kent voldoende redelijke mensen die bereid zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen. Die begrijpen dat er keuzes gemaakt moeten worden en knopen moeten worden doorgehakt. Dat je soms bereid moet zijn om even een pas op de plaats te maken om een ander voor te laten gaan of dat je soms moet delen waar te weinig te delen is en je het dan ook samen met te weinig moet doen. Of.... nou ja, duivelse dillema's. Maar waar je dan wel samen voor staat.

Zeker, een soort poldermodel, maar dan niet op basis van lobby en macht, maar op basis van verantwoordelijkheid nemen.